In zijn vroege schaakkoorts had Hans Ree een heilig ontzag voor de Russische schaker Znosko-Borovski

vrijdag, 5 juni 2026 (00:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Hans Ree blikt terug op de veelkleurige figuur Jevgeni Alexandrovitsj Znosko-Borovski (1884–1954): niet alleen een begaafd schaker, maar ook schrijver, theatercriticus, oorlogsveteraan en een bekende in het Russische emigrantenmilieu van Parijs, waar hij zich in 1920 vestigde.

Znosko-Borovski groeide op in een gegoede Russische familie en leerde vroeg schaken. Hij vocht als vrijwilliger in de Russisch-Japanse oorlog (1904–1905) en raakte daarbij gewond aan zijn rechterhand; later diende hij ook in de Eerste Wereldoorlog en liep beenwonden op. Na die oorlogsperikelen werkte hij kort als theaterdirecteur in de Kaukasus en maakte uiteindelijk de overtocht naar West-Europa, waar hij zich een bestaan moest verschaffen met optredens aan het bord en met schaakpublicaties.

Zijn schaakcarrière bracht hem internationale erkenning: al in 1906 debuteerde hij in Ostende en won daar een schoonheidsprijs. Hoewel hij nooit tot de absolute wereldtop behoorde, scoorde hij overwinningen op grootheden als Capablanca, Rubinstein, Euwe en Bogoljubow. Een van zijn beste toernooiresultaten was de zege in Parijs (achtkamp) in 1930, waarin hij spelers als Tartakower, Lilienthal en Mieses achter zich liet; Marcel Duchamp eindigde daar als laatste. Tijdens tournees — Ree noemt als voorbeeld simultaanpartijen in Engeland en verre reizen naar onder meer Indonesië — viel Znosko op door zijn onopgesmukte voorkomen en zijn relativerende houding tegenover vreemde schaakstukken van tegenstanders.

Naast het bord maakte Znosko naam als schrijver en criticus. In 1927 publiceerde hij een boek over Capablanca en Aljechin, dat veel waardering oogstte van Vladimir Nabokov; de beroemde schrijver wijdde later in 1932 zelfs een schaakprobleem (een zogenaamde retractor) aan Znosko. In het Russische intellectuele milieu speelde hij ook een rol buiten het schaak: hij stond onder andere aan de zijde van dichter Nikolaj Goemiljov bij diens duel in 1909 en was actief als theater- en muziekcriticus.

Ree behandelt ook de controverse rond Znosko’s verdiensten: in 1914 schreef wereldkampioen Emanuel Lasker neerbuigend over Znosko’s overwinning op Capablanca, maar Ree verwerpt die kritiek op basis van moderne schaakcomputers en Capablanca’s eigen lovende opmerkingen elders. Na zijn dood omschreef criticus Gerald Abrahams hem als veerkrachtig en opgewekt ondanks tegenslag.

Kort gezegd schildert Ree Znosko-Borovski als een veelzijdig intellectueel en levenskunstenaar: een speler die niet altijd de allergrootsten evenaarde, maar wél indruk maakte met stijl, literaire betrokkenheid en een blijvende invloed binnen het Europese schaak- en emigrantenleven.