In zijn reportages verknoopt David Foster Wallace zijn eigen worstelingen met die van de VS
In dit artikel:
David Foster Wallace gebruikte zijn journalistieke stukken (zelfs genoemd “experiential essays”) om dezelfde kwestie te verkennen als in zijn romans: de geestelijke uitputting en het authenticiteitsprobleem in de Verenigde Staten. Tussen 1993 en zijn dood in 2008 publiceerde hij elf lange reportages die ogenschijnlijk banale onderwerpen — een kermis in Illinois, een cruiseschip, een porno-awardshow, de campagnetour van John McCain — opvatten als vensters op bredere culturele symptomen: massale entertainmentzucht, escapisme en een ingebakken wantrouwen tegenover oprechtheid.
Stijl en werkwijze van Wallace week sterk af van de conventionele literaire reportage. In plaats van één verhalende lijn koos hij voor een camera-achtige overvloed: alles vastleggen, vaak met paginalange voetnoten en schijnbaar zijwegen die samen het sociale landschap moesten weerspiegelen. Hij vermeed een strakke plotconstructie omdat hij vond dat die het rommelige leven kunstmatig ordent; zijn stukken zijn eerder essayistische panorama’s vol details en associaties. Tegelijkertijd treedt hij voortdurend zelf op als personage: stuntelend, nerveus en zelfkritisch. Die eigen onhandigheid is deels strategie — door zichzelf openlijk te bekritiseren voorkomt hij dat lezers hem louter arrogant of moraliserend vinden — maar ze is ook thematisch verbonden met zijn bezorgdheid over Amerikaanse authenticiteit.
Praktijkvoorbeelden illustreren zijn aanpak en probleemposities. Zijn debuutreportage over de State Fair toont een schrijver die zich ongemakkelijk en terughoudend opstelt, soms fysiek weerhouden door vroegere trauma’s, en die daardoor een observator wordt van vernederende en voyeuristische scènes. In Big Red Son — een verslag van de porno-industrie — balanceerde Wallace op het randje van opsmuk om het mechanisme van escalatie in seks en shock te tastbaar te maken; die overdrijving leidde tot openlijke beschuldigingen van fabricatie door betrokkenen. De kritiek op zijn feitelijkheid bleef als een schaduw over zijn journalistiek hangen: sommige redacties wilden zijn stukken flink inkorten, The New Yorker is een publicatie die hij nooit bereikte, en biografen en collega’s debatteerden lang over waar Wallace ophield met documentatie en begon met literaire vrijheden.
Die ambivalente verhouding tot feiten past bij zijn opvatting van genregrenzen: Wallace geloofde in de poreusheid tussen fictie en non-fictie en gebruikte documenteerde feiten vaak als springplank voor cultuurfilosofische reflecties. Tegelijkertijd nam hij nauwgezet afstand van een puur taxonomische discussie over authenticiteit; hij leek minder geïnteresseerd in journalistieke labels dan in het blootleggen van een nationale stemming. Dat blijkt ook uit zijn politieke observaties: in Up, Simba, zijn reportage over McCains voorverkiezingscampagne in 2000, ontmaskerde hij de zorgvuldig geënsceneerde “authenticiteit” van politieke optredens — de performance van oprechtheid die desalniettemin een commercieel product is.
Kortom: Wallace’ journalistiek is een mengsel van intense observatie, literaire ambitie en persoonlijke performance. Zijn stijl legt de nadruk op overvloed en zelfreflectie en gebruikt kleine scènes als symbolen voor grotere malaise in de Amerikaanse cultuur. De resulterende essays zijn niet louter verslaggeving maar bewuste literaire constructies die evenzeer vragen oproepen over waarheid, representatie en de rol van de schrijver als moreel spiegelbeeld van zijn eigen tijd.