In zijn biografie volgt Dik Verkuil hoe Frits Bolkestein een wereldvreemde intellectueel én scherp lezer van de tijdgeest kon zijn
In dit artikel:
Dik Verkuils omvangrijke biografie De ongenaakbare Bolkestein (776 pagina’s), die in april 2026 verschijnt, probeert het paradoxale leven van Frits Bolkestein te doorgronden: een sociaal onbeholpen, huiselijk ongeschikte man die tegelijk de wereld rondreisde, hoogopgeleid was en als politicus en publieke intellectueel de tijdgeest scherp aanvoelde.
Bolkestein wordt in het boek neergezet als iemand met opvallende tegenstellingen. Privé bleek hij onhandig in alledaagse taken — koken, wassen of met moderne technologie omgaan — en had hij een slechte sociale radar; kleine, onhandige opmerkingen en vergeetachtigheid kwamen vaak voor. Tegelijk was hij buitengewoon nieuwsgierig en gedisciplineerd: als jonge Shell-medewerker trok hij de wereld in, leerde Swahili in Tanzania en maakte internationaal carrière. Collega’s omschreven hem als excentriek maar doortastend en zakelijk; in zijn communicatie was hij zwart-wit en ongenuanceerd.
Verkuil laat zien hoe Bolkestein zichzelf als instrument gebruikte om maatschappelijke veranderingen te analyseren. Hij had een scherp oog voor media en publiciteit en begreep dat wie televisie beheerst, politieke macht kan opbouwen. Ideologisch stond hij aan de rechtervleugel van het liberale spectrum: samen met denkers als Andreas Kinneging en Uri Rosenthal werkte hij aan een strakker, minder verzorgende liberalisme — een koers die in de VVD-ledenzalen begin jaren negentig strandde. Bolkestein was wars van wat hij zag als de consumptieve en ongedisciplineerde geest van ’68; hij voorspelde en verwelkomde tegelijk een terugkeer van individualisme, zakelijkheid en kleinere overheid.
Een centraal thema in Verkuils portret is Bolkesteins geloof in zelfontwikkeling als morele plicht. Die overtuiging verklaart veel van zijn gedrag: hij had grote aandacht voor jonge, beloftevolle mensen en investeerde rijkelijk in enkelen van hen. Meerdere oud-medestudenten en jonge medewerkers kregen intensieve begeleiding, strikte deadlines en soms financiële steun. Zijn bekendste protegé was Soumaya Sahla — een voormalige gedetineerde die hij als intellectuele erfgename behandelde, financieel ondersteunde en zelfs als erfgenaam in zijn testament opnam. Zulke banden leverden later familieruzies op: in de eindhoofdstukken van het boek ontvouwen zich juridische en morele twisten tussen Sahla en Bolkesteins biologische erfgenamen, met discussies over mogelijk misbruik en de vraag of Bolkestein in zijn laatste jaren wilsbekwaam was.
Die conflictlijn maakt pijnlijk zichtbaar wat de biografie steeds weer benadrukt: Bolkesteins vermogen tot gerichte empathie was selectief. Hij kon buitengewoon geduldig en betrokken zijn tegenover jonge protégé’s en gestrande figuren — hij bezocht langdurig een ex-medewerker in psychose, betaalde rekeningen en bood kansen aan een Syrisch meisje dat hem op een station aansprak — maar zijn eigen kinderen voelden zich verwaarloosd. In de reconstructie staan de levens van zijn zonen, met verslaving en armoede, in scherp contrast met de intellectuele salons rond zijn partner Femke Boersma, waar Bolkestein intensieve gesprekken voerde over kunst en literatuur maar weinig politiek of gezinsleven deelde. Verkuil suggereert dat aandacht en zorg bij Bolkestein vaak pas kwamen na expliciete aansporing; affectie volgde op instructie.
Verkuils onderzoekswerk is indrukwekkend in omvang en precisie: hij dook in archieven tot in Tsjechië, bestudeerde dagboeken en leverde 106 pagina’s met noten. Dat zwaartepunt op bronvermelding levert voor vakgenoten veel nieuwe details op, zoals minutieuze reconstructies van interne partijstrijden. Voor de doorsneelezer werkt de stijl echter vaak koel en afstandelijk; dramatische momenten uit Bolkesteins leven – de plotselinge terugkeer van zijn tijdens de oorlog vermiste vader, of de pijn van zijn kinderen — worden soms drooggerapporteerd en missen literaire verdichting.
Uiteindelijk biedt De ongenaakbare Bolkestein vooral een verklaring voor het onmogelijke in zijn persoonsbeeld: een radicaal verlichtingsmens die iedereen tot zelfverbetering opriep, en die die norm zowel tot steun als tot verwaarlozing van de naasten maakte. Verkuil laat zien hoe die levensvisie Bolkesteins publieke succes en zijn privédrama’s tegelijk verklaart — en waarom zijn nalatenschap zowel bewondering als wrevel oproept.