In wanhoop gooiden gedeporteerde Joden vaak nog laatste briefje uit de trein: 'Ik kom terug!'
In dit artikel:
Tijdens de Tweede Wereldoorlog gooiden duizenden gedeporteerden briefjes en kaarten uit de goederenwagons op weg naar de kampen; ongeveer driehonderd van die laatste berichten zijn bewaard gebleven. Journalist en onderzoeker Lucas Ligtenberg vond die kaarten in archieven zoals het Joods Museum, Herinneringscentrum Kamp Westerbork en het Ghetto Fighters Museum in Haifa en bundelde ze in zijn boek Van hier de laatste groeten.
De notities variëren van korte afscheidsgroeten en praktische verzoeken tot cryptische boodschappen en alledaagse mededelingen. Sommige mensen probeerden troost te bieden of optimisme uit te stralen en dachten hun beroep later te kunnen uitoefenen; anderen voorzagen meteen het ergste. Voorbeelden uit Ligtenbergs onderzoek tonen de bruuske realiteit: Abraham Prins schreef in juli 1942 een afscheid aan zijn gezin uit het allereerste transport naar Auschwitz; Hermine Lewin-de Haas stuurde een foto met de vraag om op haar te wachten; de vishandelaar Salomon Pais en zijn zoon werden in Sobibor meteen na aankomst vermoord. Veel schrijvers wisten niet precies waar ze heen gingen; op de briefjes worden bestemmingen als Duitsland, Polen of Silezië genoemd.
De kaarten geven ook beeld van de omstandigheden in de wagons: overvolle treinen, dagenlang reizen “als haringen in een ton”, gebrek aan voorzieningen en honger. Sommige briefjes bevatten verborgen codetaal of verwijzingen die duiden op ontbering en dreigend gevaar — termen als ‘rongof’ (Hebreeuws voor honger) en andere eufemismen die onderlingen signalen vormden. Via poststempels en lijsten van de Joodse Raad kon Ligtenberg traceren in welke transporten de schrijvers zaten en welke route de treinen namen; hij schat dat 60–70 procent van de briefjes tussen Westerbork en de Duitse grens werd uitgeworpen.
Veel kaarten belandden in tuinen of naast de rails en werden door omwonenden opgepikt en gepost; dorpsbewoners voelden mededogen en stuurden de berichten door. Ligtenberg vond correspondentie van ontvangers die de vinders bedankten. Andere briefjes kwamen pas jaren of zelfs decennia later bij familie terecht; zo ontving violist Daniël Otten het briefje van zijn in Bergen-Belsen vermoorde moeder pas in 2021.
Ligtenberg beschrijft het project als emotioneel zwaar: het lezen van die laatste levenssignalen confronteerde hem telkens met het lot van de afzenders. Een belangrijk doel van zijn boek is ook archivistische: veel kaarten zitten nog in familiebezit. Hij roept nazaten op zolders en dozen te doorzoeken en de kaarten aan archieven te geven — of ten minste te fotograferen — omdat ze unieke, persoonlijke getuigenissen van deportatie en genocide vormen.
Van hier de laatste groeten. Briefkaarten uit de trein 1940–1945 verschijnt bij Uitgeverij Van Oorschot. Het boek combineert de vondsten met achtergrondonderzoek naar individuele briefschrijvers en plaatst die persoonlijke boodschappen in de bredere context van de deportatieroutes en het dagelijks menselijk leed tijdens de Holocaust.