In Turkije wordt ons plastic afval gesorteerd onder barre omstandigheden: 'Zijn benen werden afgerukt'
In dit artikel:
De haven van Rotterdam is uitgegroeid tot het belangrijkste Europese knooppunt voor illegale plasticafvalhandel, waarbij grote stromen afval via Nederlandse tussenhandelaren naar Turkije verdwijnen. Turkije heeft een snelgroeiende recyclingindustrie die profiteert van staatssteun, belastingvoordelen en goedkope, vaak ongedocumenteerde arbeidskrachten — maar ook van gebrekkig toezicht en corrupte praktijken. Dat maakt de sector zeer winstgevend, maar extreem gevaarlijk voor werknemers: volgens Asli Odman en de door haar mede-opgerichte Arbeidsgezondheids- en Veiligheidsraad stierven in Turkije in 2024 1.987 mensen door werkgerelateerde ongevallen (5,84 doden per 100.000 werknemers), tegenover 0,61 in Nederland. Odman weigert deze sterfgevallen louter als “ongelukken” te bestempelen; waar werkgevers veiligheidsmaatregelen nalaten noemt zij sommige gevallen “moord”.
Concrete gevallen illustreren de problematiek: de vermoorde Afghaanse mijnwerker Vezir Mohammad Nourtani (2023) en de Afghaanse recyclingarbeider Arifullah Fazli, wiens benen werden afgerukt en wiens dood door getuigenis- en onderzoeksproblemen nauwelijks is vervolgd. Ook recente ernstige ongevallen in door de staat gesteunde industriële zones — zoals een tiener uit Oezbekistan die bijna zijn benen verloor in Antalya — tonen dat ernstige incidenten zowel in obscure werkplaatsen als in grote, officieel erkende bedrijven voorkomen.
De Turkse regering promoot recycling actief — onder meer via het Zero Waste-initiatief (2017) — en claimt hogere recyclingpercentages en economische winst. Tegelijkertijd blijkt dat het terugdringen van illegale praktijken niet is gelukt: complex samengestelde kunststoffen, verontreiniging en hoge verwerkingskosten maken economisch zuivere recycling lastig. Daardoor wordt gemengd, vervuild plastic dat in Europa weinig waard is, goedkoop geëxporteerd naar Turkije, vaak foutief geëtiketteerd als “schoon” (groen) terwijl het in werkelijkheid “oranje” (verontreinigd) is en volgens regels niet naar niet-Oeso-landen had mogen vertrekken.
De handel verloopt vaak via schijnbaar legale tussenpersonen — de zogenaamde afvalmakelaars — die geen eigen verwerkingscapaciteit hebben en eenvoudig vergunningen verkrijgen. Onderzoeken van het Environmental Investigation Agency (2023) en Nederlandse evaluaties wijzen uit dat dergelijke makelaars structureel misbruik maken van regelgeving: partijen worden meermalen doorverkocht, containers worden zodanig geladen dat vervuiling verborgen blijft, en documenten worden gemanipuleerd. Sancties zijn schaars; voor elk onderschept geval glippen waarschijnlijk duizenden zendingen ongemerkt door.
Toezicht schiet kort: in Nederland zijn ongeveer vijftien inspecteurs van de Inspectie Leefomgeving en Transport belast met de exportcontrole van afval, terwijl de haven van Rotterdam jaarlijks meer dan een miljoen containers met afval verwerkt. Inspecties zijn beperkt (rond de 4–5 duizend per jaar) en vaak gebaseerd op documenten of douanealerts; fysieke opening en handmatige controle van containers is tijdrovend en zeldzaam. Inspecteurs beschikken vaak over primitieve middelen om vervuiling aan te tonen, en zelfs hightech-sensoren kunnen slechts kleine delen van een lading testen. Binnen Turkije werkt het registratiesysteem (MoTAT) slechts tot het punt van aflevering; daarna kan afval op papier bij een geregistreerde importeur blijven terwijl het in werkelijkheid wordt doorverkocht of overgeladen naar ongeregistreerde fabrieken.
Vanaf november 2026 veranderen de Europese regels: ook Oeso-landen buiten de EU — waaronder Turkije — vallen onder strengere meldings- en toestemmingsplichten voor afvalimport. Deskundigen waarschuwen echter dat die bureaucratische aanpassingen het onderliggende probleem niet weghalen: de economische druk om winst te maximaliseren maakt de sector afhankelijk van goedkope migrantarbeid en van het omzeilen van regels. Corruptie, politieke connecties van recyclingeigenaren en het routinematig negeren van veiligheidsnormen maken handhaving lastig. Recyclers en branchevertegenwoordigers ontkennen vaak systematische misstanden en wijzen op systemen als MoTAT als oplossing; critici noemen die garanties onvoldoende zolang controle wegvalt na invoer en vergunningen via vriendjespolitiek verkregen kunnen worden.
De menselijke tol van deze handelsketen is hoog: slachtoffers zijn voornamelijk gemarginaliseerde migranten zonder papieren of familie in Turkije, wier sterfgevallen vaak niet goed worden geregistreerd of onderzocht. Activisten en onderzoekers spreken van een necropolitiek waarin economische groei en politieke belangen boven arbeidsveiligheid gaan; sommige werkgevers zouden zelfs berekenen hoeveel “bloedgeld” zij mogen betalen om hun winsten te behouden. Om de handel en de bijbehorende dodelijke uitbuiting effectief aan te pakken pleiten experts voor strengere handhaving, veel meer inspecties en dat import- en exportketens daadwerkelijk worden gecontroleerd — inclusief fysieke controles — in plaats van vertrouwen op papieren en zelfdeklaraties.