In reactie op Eva Illouz: Markha Valenta over Gaza, joodse verdeeldheid en de verdachtmaking van solidariteit
In dit artikel:
Markha Valenta bekritiseert in De Groene Eva Illouz’ essay ‘Een deugdzame jodenhaat’, waarin Illouz reacties van linkse, academische en activistische kringen op de Hamas-aanval van 7 oktober 2023 duidt als een nieuwe vorm van antisemitisme die zich als morele deugd voordoet. Volgens Valenta bevat Illouz’ analyse feitelijke fouten, historische vertekeningen en belangrijke weglatingen. Haar belangrijkste bezwaar is dat Illouz mensen en uitspraken in een vooraf vastgesteld ideologisch schema plaatst, waardoor tegenbewijs niet meer kan meetellen.
Als voorbeeld noemt Valenta een citaat van klimaatactivist Andreas Malm, die op 7 oktober schreef dat hij en anderen hadden gejuicht. Illouz presenteert dit als een reactie op de moordpartijen, verkrachtingen en ontvoeringen. In de volledige passage blijkt volgens Valenta echter dat Malm juichte om het doorbreken van de grens tussen Gaza en Israël en de inname van militaire posten. Tegelijk voorspelde hij dat Israël Gaza zou verwoesten en veel mensen zou doden. Door die context weg te laten, verandert Illouz volgens Valenta een complexe reactie op de uitbraak uit de blokkade in een bekentenis van steun voor het geweld.
Iets vergelijkbaars gebeurt volgens de auteur met vier academici die Illouz als vertegenwoordigers van ‘campus-antisemitisme’ opvoert: Judith Butler, Donna Haraway, Joseph Massad en Jasbir Puar. Butler veroordeelde de Hamas-aanval volgens Valenta zes dagen later zonder voorbehoud. Van Haraway en Puar is geen relevante uitspraak over 7 oktober te vinden. Massad sprak wel enthousiast over de doorbraak door het hek en de verovering van militaire locaties, maar noemde de doden en gewonden aan beide kanten een huiveringwekkende menselijke tol. Illouz zou deze verschillen hebben uitgewist om haar oordeel over alle vier te kunnen handhaven.
Vooral de behandeling van Butler laat volgens Valenta zien hoe ver Illouz daarin gaat. Butler schreef al eerder, onder meer in ‘Parting Ways’, over joodse ethiek, Israëlisch staatsgeweld en de mogelijkheid om joods leven niet met zionisme te laten samenvallen. Zij werkte daarbij vanuit de joodse traditie en verwees naar denkers als Hannah Arendt, Emmanuel Levinas en Martin Buber. Door Butlers eerdere werk en haar veroordeling van de Hamas-aanval buiten beschouwing te laten, maakt Illouz volgens Valenta van een intern conflict binnen het joodse denken een bewijs van antisemitisme.
Valenta verwijt Illouz bovendien dat zij haar eigen kritiek op ideologisch groepsdenken niet toepast op haar essay. Met Adorno’s begrip van het ‘ticket’ beschrijft zij een kant-en-klaar pakket aan ideeën dat zelfstandig oordeel vervangt. Maar Illouz zou zelf kritische theorie, postkolonialisme, antizionisme, campusprotest, sovjetpropaganda en antisemitisme in één dergelijk pakket samenbrengen. Daardoor worden individuele personen en uitspraken niet meer afzonderlijk beoordeeld.
Volgens Valenta had Illouz ook haar eigen politieke breuk met links kunnen onderzoeken. Illouz verzette zich eerder tegen de Israëlische bezetting en ondertekende in 2021 een oproep aan het Internationaal Strafhof om Israëlische oorlogsmisdaden te onderzoeken. Na 7 oktober voelde zij zich echter door links in de steek gelaten. Valenta vraagt wat er met Illouz’ waarneming gebeurde toen de schok over de aanval botste met de grootschalige verwoesting en het Palestijnse leed in Gaza. Als socioloog van emoties had Illouz volgens haar kunnen analyseren hoe haar eigen angst en verlatenheid haar interpretatie beïnvloedden. In plaats daarvan zoekt zij de oorzaak bij pro-Palestijnse activisten en telt zij volgens Valenta wel Israëlische slachtoffers, maar geen Palestijnse doden.
Ook in haar historische verhaal zouden Palestijnen en zwarte activisten nauwelijks als zelfstandige politieke denkers voorkomen. Edward Said wordt volgens Valenta gereduceerd tot zijn naam en het begrip ‘oriëntalisme’, terwijl Angela Davis’ solidariteit met Palestina vooral wordt verklaard uit haar communistische verleden en vermeende sovjetinvloed. Haar analyse van racisme, imperialisme en staatsgeweld blijft buiten beeld.
Daartegenover plaatst Valenta de geschiedenis van het Palestijnse cultuurfestival Palestine Writes, dat in september 2023 aan de University of Pennsylvania werd gehouden. Pro-Israëlische organisaties, donoren en politici probeerden het festival vooraf te verhinderen, onder meer met beschuldigingen van antisemitisme en druk op de universiteit. Een van de belangrijkste tegenstanders was miljardair Marc Rowan, bestuurder van investeringsmaatschappij Apollo, voorzitter van de UJA-Federation of New York, voormalig trustee van Penn en grote donor van de businessschool Wharton. Hij stelde dat Penn door het festival Palestijnse standpunten institutionele legitimiteit gaf.
Na 7 oktober voerde Rowan de druk op. Hij koppelde het festival retorisch aan de Hamas-aanval, riep donateurs op hun giften stop te zetten en mobiliseerde andere invloedrijke geldschieters. De Republikeinse meerderheid in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden maakte de kwestie vervolgens onderdeel van een hoorzitting over antisemitisme op universiteiten. De voorzitters van Penn, Harvard en MIT werden ondervraagd; Penn-voorzitter Liz Magill en bestuursvoorzitter Scott Bok traden kort daarna af. Valenta beschrijft dit als een nieuwe vorm van macht van de ‘megadonor’, die zich opstelt als een activistische aandeelhouder en met geld, publiciteit en politieke contacten universiteitsbesturen tot gehoorzaamheid dwingt. Bij Harvard speelde hedgefondsmanager Bill Ackman een vergelijkbare rol.
Vervolgens behandelt Valenta de studentenprotesten aan Columbia University in New York. Volgens haar ontstonden die niet simpelweg uit een ideologisch pakket, maar uit maanden van onderzoek, debat en samenwerking tussen uiteenlopende groepen. Studenten werden vooral gemobiliseerd door beelden en berichten uit Gaza en onderzochten de investeringen, militaire samenwerkingen en academische banden van hun eigen universiteit. In april 2024 richtten zij een tentenkamp op, het Gaza Solidarity Encampment, dat ook als onderwijs- en organisatieplek fungeerde. Zij eisten onder meer desinvestering, een academische boycot, een einde aan de economische verdringing van bewoners van Harlem, geen politie op de campus en een staakt-het-vuren.
De beweging was volgens Valenta breed samengesteld. Students for Justice in Palestine en de joodse organisatie Jewish Voice for Peace werkten al maanden samen. Uiteindelijk sloten 116 studentenorganisaties zich aan, waaronder een vakbond van promovendi en verenigingen van Vietnamese en inheemse studenten. Het kamp bouwde voort op eerdere protesten tegen de Vietnamoorlog en voor desinvestering uit Zuid-Afrika. De studenten organiseerden maaltijden, lessen, gebedsmomenten en culturele activiteiten. Een sjabbatdiner, het vrijdaggebed, muziek en een Pesach-seder kregen naast elkaar plaats. Voor sommige joodse deelnemers bood de solidariteit met Palestijnen juist een nieuwe manier om hun joodse identiteit te beleven; anderen ervoeren de kampen als bedreigend.
De universiteit koos volgens Valenta niet neutraal tussen die joodse posities. Columbia beriep zich op de veiligheid van joodse studenten om Jewish Voice for Peace en Students for Justice in Palestine te schorsen, terwijl joodse organisatoren eveneens werden gearresteerd. Ook docent Shai Davidai gebruikte volgens Valenta antisemitische en Holocaustvergelijkingen tegen joodse studenten die de kampen steunden. De politie ontruimde de kampen, studenten werden geschorst of van de campus geweerd en tegen docenten kwamen disciplinaire onderzoeken.
Na de terugkeer van Donald Trump kreeg deze aanpak een nationaal machtsmiddel. In maart 2025 trok de federale regering voor 400 miljoen dollar aan subsidies en contracten van Columbia in, waardoor honderden onderzoeksprojecten gevaar liepen. Ook dreigde zij met ingrepen in accreditatie, studiefinanciering en de verblijfsstatus van internationale studenten en wetenschappers. Mahmoud Khalil, die namens het Columbia-kamp onderhandelde, zat 104 dagen vast terwijl de regering hem probeerde uit te zetten, hoewel hem geen misdrijf ten laste was gelegd.
Valenta stelt niet dat Illouz deze repressie heeft veroorzaakt, maar wel dat haar gelijkstelling van antizionisme aan antisemitisme de beweging waartegen zij zich richt onherkenbaar maakt. Volgens de auteur negeert die gelijkstelling zowel Palestijnse als joodse stemmen die zionisme en jodendom van elkaar onderscheiden. De kern van Valenta’s betoog is dat het gevaar niet schuilt in antizionisme als zodanig, maar in een beroep op joodse veiligheid dat geen tegenspraak duldt en door rijke donoren en de staat kan worden afgedwongen. De studentenprotesten waren volgens haar geen bewijs van collectief antisemitisch conformisme, maar pogingen om universiteiten verantwoordelijk te houden voor hun geld, macht en betrokkenheid bij Gaza.
Vandaag Inside: Jesse Klaver tegen Wilfred Genee In de Wandelgangen: 'Dat ga ik je hier niet zeggen!'