In plaats van klappen kreeg ik een groet | column Wieberen Elverdink
In dit artikel:
Als jongen van een jaar of twaalf liep de schrijver in het centrum van de Grote Plaats met knikkende knieën achter een groep oudere jongens aan, afkomstig van de school waar zijn vader lesgaf. Toen ze hem recht in het vizier hadden en vroegen of hij “de zoon van Elverdink” was, verwachtte hij het ergste; in plaats daarvan kregen zijn vader en daarmee hijzelf een onverwachte lofuiting. Dat moment maakte hem duidelijk dat mensen je vaak niet als los individu zien, maar als iemand in relatie tot een ander: zoon, vriend, collega of dorpsgenoot — en die aanduiding bepaalt hoe men je behandelt.
Jaren later, tijdens het wegbrengen van zijn oudste in groep 2, werd hij door een kleuter plots aangesproken als “vader van Stijn”. Het raakte hem diep: zijn identiteit werd rijker en waardevoller door die rol. Inmiddels is diezelfde Stijn hbo’er en in opleiding tot leraar; van een kamp op de stageschool stuurde hij een vrolijk filmpje waarin hij glansde in zijn nieuwe taak. Bij het ophalen na het kamp werden de rollen opnieuw gespiegeld en begroetten twee kinderen hem met het ultieme eretitel: “Hoi vader van meester Stijn!”
De column gebruikt persoonlijke anekdotes om te laten zien hoe relationele labels je kwetsbaar kunnen maken, maar ook hoe ze trots en zingeving brengen. De schrijver, Wieberen Elverdink (45), woont met zijn vrouw en drie kinderen in een middelgroot dorp in het Noorden en gebruikt deze herinneringen om te reflecteren op de betekenis van naam en rol in het alledaagse leven.