In plaats van afstand te doen van extremistische denkbeelden legden radicaal-rechtse partijen ze liever nog een keer uit

donderdag, 28 mei 2026 (00:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Een door Jesse Klaver (Progressief Nederland) uitgelokt Kamerdebat op 28 mei 2026 over de normalisering van geweld eindigde ironisch genoeg als een podium voor extreemrechtse ideeën. Waar Klaver wilde spreken over rellen door rechts-extremistische groepen, brandstichting bij asielzoekerscentra en een aanslag op een partijkantoor, werd de zitting gekenmerkt door onversluierde en ongeremde uitspraken van radicaal-rechtse politici, die eerder hun denkbeelden bevestigden dan afstand namen.

In plaats van veroordeling kwamen scherpe vergoelijkingen, verbredingen en beschuldigingen terug. FvD-leider Lidewij de Vos gebruikte het debat om haar retoriek over ‘omvolking’ en het begrip ‘Nederlanders’ te verduidelijken en af te bakenen van nazi‑terminologie, terwijl andere rechtse Kamerleden zoals Gidi Markuszower en onafhankelijken als Mona Keijzer de schuld voor geweld bij bestuurders legden of moesten breder trekken naar andere vormen van demonstraties. BBB-oprichter Caroline van der Plas verdedigde De Vos door te benadrukken dat woorden niet verkeerd uitgelegd mogen worden. Geert Wilders en de PVV waren afwezig en riepen via sociale media op tot verzet.

De radicaal-rechtse fracties hanteerden volgens de redactie globaal drie tactieken: aantijgingen dat de zittende macht geweld uitlokt; relativiseren door te wijzen op geweld van links of andere groepen; en het minimaliseren of nuanceren van eigen oproepen tot geweld. Die strategieën droegen er toe bij dat harde, uitsluitende taal onbeschaamd in de Kamer kon klinken, zonder dat er een duidelijke, eensgezinde afkeer van extreemrechts uit de voltallige Kamer bleek.

Premier Rob Jetten (D66) en andere coalitiegenoten wezen de uitlatingen met klem af en waarschuwden dat bepaalde ‘hondenfluitjes’ en legitimering van geweld moeten stoppen. Tegelijk liet het debat zien hoe kwetsbaar het midden is: Jetten leidt een minderheidskabinet dat dagelijks op zoek is naar 76 stemmen, waardoor het politieke speelveld gedwongen is soms met radicaal-rechtse Kamerleden te onderhandelen. Links eiste nadrukkelijk afstand en veroordeling, maar maakte zich in enkele momenten kwetsbaar door eerder samen op te trekken met dezelfde rechtse partijen in moties of onderhandelingen.

Politicologen en commentaren op platforms als Stuk Rood Vlees waarschuwen dat extreemrechtse partijen systematisch gebruikmaken van zogenoemde frontstage/backstage-retoriek: gematigder taal in het openbaar, extremere taal richting de eigen achterban. Daardoor wordt het moeilijker in de praktijk een scherp onderscheid te maken tussen radicaal- en extreemrechts, en blijft het gerechtvaardigd partijen expliciet als extremistisch aan te duiden zolang zij geen afstand nemen van geweld en radicale ideeën.

Binnen D66 kwam de avond bovendien bovenop interne onrust: een gelekte brief van partijmedewerkers vroeg Jetten zijn leiderschapsrol steviger te vervullen. Kritiek op zijn afwachtende houding na incidenten zoals het in brand steken van een AZC leidde tot druk vanuit de partijtop om harder op te treden tegen relschoppers en de retoriek die geweld voedt. Jetten benadrukte de noodzaak om zowel te luisteren naar zorgwekkende signalen in de samenleving als koers te houden in een gedwongen politieke realiteit.

Concluderend tekende het debat een zorgwekkend beeld: extreemrechtse denkbeelden en uitsluitende nationale narratieven klinken in de Kamer met ongekend gemak en zonder schroom, terwijl de democratische krachten worstelen met een strategisch dilemma tussen isolatie en praktische samenwerking. Klaver stelde vast dat de maskers af zijn: radicaal-rechts opereert nu vol zelfvertrouwen en heeft met ongeveer 46 zetels genoeg macht om in veel debatten een onmisbare factor te zijn. Dat maakt de uitdaging voor het publieke debat en het normeren van politiek geweld alleen maar urgenter.