In 'Michael' is enkel nostalgische heldenverering te zien, alle macht die we hebben toegekend aan de cancelcultuur ten spijt
In dit artikel:
Antoine Fuqua’s Michael brengt het jeugd- en vroege volwassenheidstraject van Michael Jackson (1966–1988) in chronologische volgorde en is gemaakt met ruime betrokkenheid van Jacksons familie en zijn advocaat John Branca als producenten. De film opent meteen met vertrouwde herkenningspunten — het geluid, de sokken, het stadionapplaus — en positioneert zich duidelijk als een product voor fans: de kindacteur Juliano Valdi is aandoenlijk, de muziek en choreografie blijven onweerstaanbaar, en volwassen Michael wordt gespeeld door zijn neef Jaafar Jackson, wiens stem is gemengd met oorspronkelijke opnames van zijn oom.
Artistiek levert Michael zowel charme als kritiek op. De regie en productie streven naar een precieze reconstructie van iconische scènes (repeterende mishandelingen door vader Joseph, opnamesessies, de Thriller-video, de veranderende neus, Bubbles de chimpansee), maar juist die pogingen tot trouw maken de film levenloos en ontdaan van verrassingen: het beeld van Jackson wordt gereduceerd tot een gepolijste attractie, meer waxmuseum dan portret. Kleine pluspunten blijven de sterke nostalgische muziekbeleving en de casting van het jonge Michael.
Het grootste probleem is dat de film historische complexiteit wegpoetst. Alle elementen die de smet op Jacksons imago oproepen — beschuldigingen van seksueel misbruik die in 2019 door de documentaire Leaving Neverland opnieuw opgelaaid werden en eerdere rechtszaken — worden systematisch vermeden of gereduceerd. In Fuqua’s versie is Joseph Jackson de enige schuldige en is Michael louter slachtoffer en heilige. Die eenzijdigheid wordt versterkt door Fuqua’s publieke insinuaties dat de aanklagers meer om geld zouden geven. De film suggereert een onomstotelijke verheerlijking en sluit andere verhalen uit; een tweede deel wordt aan het eind vaag beloofd, vermoedelijk om die jubeltoon voort te zetten.
De recensent plaatst Michael in een bredere trend van biopics die favorieten zuiveren en mythen in stand houden: voorbeelden zoals Bohemian Rhapsody, Elvis, Blonde en flopprojecten als Back to Black en Bob Marley: One Love illustreren hoe bioscoophits conflicten gladstrijken en controverses wegpoetsen. Die tendens roept de oude vraag op: wat doen we met de kunst van problematische artiesten? De essaybundel Monsters van Claire Dederer (2020) wordt aangehaald: zij worstelt met de onontkombare liefde voor werk van mannen die ernstige misstanden begingen en concludeert dat biografische kennis een blijvende morele schaduw werpt. De recensent meent echter dat Dederer onderschat dat veel mensen juist wél kiezen voor selectief geheugen, dat fascinatie en troost de overhand kunnen krijgen en dat verering probleemloos naast verwerping kan bestaan.
Cultureel gezien signaleert de auteur iets alarmerends: het succes van Michael toont een behoefte aan eenvoudige heldenverhalen en nostalgische troost. De film en zijn publiek kiezen voor hagiografie wanneer complexe, ambivalente portretten kennelijk niet genoeg comfort bieden. Bovendien lijkt cancelcultuur in de praktijk weinig eensluidend: discussies en veroordelingen leiden niet per se tot collectief afstand doen; polariserende visies leven naast elkaar voort. De recensent waarschuwt voor een toekomst waarin de filmindustrie steeds vaker teruggrijpt naar bewaarde, opgepoetste helden in plaats van nieuwe, uitdagende kunst te laten ontstaan — een wereld van gerecyclede iconen en perfect gepolijste kopieën, waar zelfs levenden als Taylor Swift op termijn vervangen zouden kunnen worden door hagiografische replica’s.
Praktische noot: de bespreking verscheen op 27 mei 2026; op 3 juni komt bij Netflix een driedelige documentaire over Jacksons proces van 2005 uit, wat de discussie over zijn nalatenschap onvermijdelijk zal blijven voeden.