In Israël staat de archeologie steeds vaker ten dienste van een racistische agenda
In dit artikel:
In Israël en de bezette Westelijke Jordaanoever groeit archeologie uit tot een politiek instrument: opgravingen en vondsten worden steeds vaker ingezet om exclusieve joodse aanspraken op land en geschiedenis te onderbouwen. Dat verband blijkt uit recente incidenten en beleidskeuzes waarin kolonisten, religieuze politici en vooral Amerikaanse evangelische donoren een centrale rol spelen.
Begin januari groeven familieleden van de Amerikaanse ex-ambassadeur Mike Huckabee met een metaaldetector, onder begeleiding van een Israëlische academicus, munten uit de Bar Kochba‑tijd op in wat als toeristische ‘Judea en Samaria’-route werd gepresenteerd. Zulke acties zijn problematisch: metaaldetectie is in Israël verboden, het graafwerk kan archeologische context vernietigen en Palestijnse kinderen zouden voor vergelijkbaar handelen zeer waarschijnlijk strafrechtelijk vervolgd zijn. Toch ontstond er nauwelijks protest vanuit het Israëlische archeologen‑corps; de gebeurtenis paste naadloos in een bredere trend waarbij vondsten symbolisch worden geclaimd door nationalisten en buitenlandse sympathisanten.
Evangelische en conservatieve Amerikaanse netwerken financieren opgravingen, vrijwilligersreizen en instituten die het bijbelse narratief bevestigen. Namen als de Armstrong School of Archaeology en organisaties als Christians United for Israel verschijnen herhaaldelijk als geldschieters. Die middelen zijn voor veel archeologische projecten onmisbaar geworden, zeker nu toeristen en buitenlandse studenten uit traditionele academische kringen na de oorlog in Gaza wegblijven en evangelische vrijwilligers juist in groten getale opduiken.
De historische context verklaart deels waarom archeologie zo verleidelijk is als legitimatiemiddel. Reeds bij de oprichting van Israël cultiveerden bewindslieden de bijbel als nationaal fundament om seculiere en religieuze joden te verenigen. Om die bijbelse beelden in het landschap zichtbaar te maken, werden Palestijnse plaatsnamen, gebouwen en gemeenschappen systematisch gemarginaliseerd of gesloopt en op hun resten nieuwe Israëlische vestigingen gebouwd. Sites als Massada en vondsten rond Bar Kochba werden nationaal gecultiveerd als symbolen van heldhaftigheid en wederkeer.
Tegelijkertijd maakte de discipline vanaf midden twintigste eeuw vorderingen richting meer kritische en brede studie van de regio, met aandacht voor prehistorie, Byzantijnse en islamitische periodes. Maar vanaf de jaren negentig zette parallel een hernieuwde religieus-nationalistische golf in, versterkt door kolonisten die de Westelijke Jordaanoever als historisch hart van ‘bijbels Israël’ claimen. Overal waar een potscherf ‘joodse aanwezigheid’ leek te suggereren, werd die vondst politiek benut.
Concrete voorbeelden: minister van Erfgoed Amichai Eliyahu kondigde 2023 een opgraving en toeristische herinrichting van Tel Sebaste (Samaria) aan, een project dat de lokale Palestijnse bewoners zou isoleren van hun archeologische erfgoed. Omdat de Israëlische oudheidkundige dienst (IAA) geen jurisdictie heeft op bezet gebied weigerde zij het project om reputatieschade te vermijden; opgravingen zijn sindsdien onder militaire auspiciën gepland. Tussen 2023 en 2025 ging circa 30 miljoen euro naar zestig erfgoedlocaties in het noorden van de bezette gebieden, veelal bedoeld om toerisme en territoriale claims te stimuleren.
Kritische stemmen bestaan, maar staan onder druk. Raphaël Greenberg is een van de weinigen die publiek waarschuwt voor de verstrengeling van archeologie met koloniale en nationalistische ideologieën en schreef daarover samen met anderen. Zijn kritiek leidde zelfs tot politieke tegenreacties en het afgelasten of verplaatsen van conferenties. Intern zijn veel Israëlische archeologen ambivalent: men wil projecten laten doorgaan en het geld niet mislopen, maar helpt daarmee soms politiek gemotiveerde narratieven bevestigen.
De oorsprong van deze problematiek is deels oud: westerse, vaak protestantse instituten uit de negentiende eeuw legden de basis voor bijbelse archeologie en de bijbehorende exclusieve claims op erfgoed. Vandaag leidt de combinatie van ideologische investering, geopolitieke belangen en financiële afhankelijkheid tot een stilzwijgende annexatie via erfgoed: grond wordt niet alleen fysiek maar ook cultureel en narratief geclaimd. De prijs is hoog: het wissen van Palestijns erfgoed, verzachting van complexe geschiedenissen tot simpele ‘wij‑tegen‑zij’-verhalen, en het ondermijnen van wetenschappelijke onafhankelijkheid. De uitdaging voor historici en archeologen blijft het verdedigen van kritische, gedetailleerde onderzoekspraktijken tegen de bekoring van simplistische, politiek bruikbare mythes.