In het monumentale Oranje-onderzoek blijven de koloniën stil
In dit artikel:
Het omvangrijke onderzoek naar de koloniale geschiedenis van het Huis Oranje-Nassau is afgelopen vrijdag aangeboden aan koning Willem-Alexander. Zestig historici onderzochten in vijf boeken ruim vier eeuwen koninklijke en stadhouderlijke betrokkenheid bij het kolonialisme. Het koningshuis bemoeide zich volgens hoofdonderzoeker Gert Oostindie niet met het onderzoek of de conclusies.
De studie maakt duidelijk dat de Oranjes generaties lang koloniale projecten steunden en faciliteerden. Zij waren betrokken bij oorlogen, de onderdrukking van slavenopstanden, racistische machtsstructuren en economische exploitatie. Vooral onder Willem I was hun invloed op het koloniale beleid groot. Hij verdiende onder meer aan de Nederlandse Handel-Maatschappij, die het cultuurstelsel in Indonesië invoerde. Dat systeem van gedwongen arbeid veroorzaakte armoede en hongersnoden.
De belangrijkste conclusie is tegelijk relativerend: het Nederlandse kolonialisme was belangrijker voor de Oranjes dan andersom. Nederland zou volgens de onderzoekers ook zonder het koningshuis een koloniale mogendheid zijn geworden. Bovendien zou koloniaal profijt slechts beperkt hebben bijgedragen aan het huidige vermogen van de familie. De financiële studie wijst wel op directe betrokkenheid bij onder meer de opiumhandel en tinwinning in Indonesië. De nadruk op rendement laat volgens de auteur echter onvoldoende zien wat investeringen betekenden voor slaafgemaakten en koloniale arbeiders.
Ook de rol van Willem III roept vragen op. Hij ontving als eerste stadhouder inkomsten uit de VOC en was betrokken bij Atlantische oorlogen en rooftochten. Bij een expeditie werden honderden slaafgemaakten gevangengenomen en verhandeld, maar het menselijke leed blijft in de onderzoeksboeken vaak onbesproken. Zijn positie als koning van Engeland en aandeelhouder van de Royal African Company wordt bovendien formeel afgezwakt, hoewel zijn vrouw Mary zich actief bezighield met koloniale handel en Nederlandse en Britse belangen aan het hof samenkwamen.
De studie besteedt eveneens aandacht aan Wilhelmina, die koloniaal geweld in Nederlands-Indië steunde en imperialisme presenteerde als ‘ethische politiek’. Haar betrokkenheid bij Shell en de omvang van het koninklijke aandelenbezit blijven deels onduidelijk, omdat het Koninklijk Huis geen antwoord gaf en het Shell-archief moeilijk toegankelijk was.
De belangrijkste kritiek betreft de institutionele en economische invalshoek. Daardoor krijgen stemmen van onderdrukte bevolkingen, inheemse gemeenschappen, verzet en dagelijks leed weinig ruimte. Onderzoek naar contacten tussen de Oranjes en inheemse groepen ontbreekt grotendeels; onderzoeker Guno Jones noemde dat tijdens een bijeenkomst een blinde vlek. Een tambú-lied uit negentiende-eeuws Curaçao, waarin Willem III spottend wordt bekritiseerd, vormt daardoor een zeldzaam voorbeeld van een koloniaal perspectief van onderop.
Het onderzoek laat ook zien hoe de Oranjes hun koloniale imago later met een charmeoffensief probeerden te bedekken. Juliana brak als eerste duidelijker met de steun voor koloniaal geweld; Willem-Alexander deed dat met zijn excuses en door het onderzoek te laten uitvoeren, ondanks eerdere terughoudendheid van zijn moeder Beatrix tegenover het slavernijverleden. De koning noemt de studie geen eindpunt maar een aansporing tot verbinding, heling en verzoening. Nabestaanden en betrokken gemeenschappen wachten echter vooral op concrete daden en blijven vanwege de familiegeschiedenis kritisch op zulke beloften.
Vandaag Inside: René van der Gijp staat bij Vandaag Inside stil bij overlijden hartsvriend Maarten Spanjer