In het Agora-onderwijs krijgen leerlingen veel vrijheid, maar levert dat ook betere schoolresultaten op?

woensdag, 4 februari 2026 (12:15) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Op Agorascholen werken leerlingen niet volgens vaste lesroosters maar aan zelfbedachte “challenges” en individuele leerpaden. Bij Saga Driehuis, een Agoraschool die in 2021 startte en onderdeel is van de Dunamare-groep, ervaart derdejaars Jaleen (14) dat die vrijheid tegelijk wennen en vruchtbaar kan zijn: in haar eerste maanden speelde ze veel, maar leerde ze gaandeweg zelfstandig opdrachten opzetten (zoals een project over sushi) en eigen keuzes te maken richting haar ambitie om psycholoog te worden. Dit type onderwijs, waarin coaches begeleiden in plaats van frontale lessen geven, staat centraal in het Agora-concept dat in Nederland is ontstaan door initiatiefnemers als Jan Fasen en Sjef Drummen.

Fasen en Drummen zagen het Agora-model als een antwoord op wat zij en anderen ervaren als een dalende motivatie onder Nederlandse middelbare scholieren — een probleem waarop de Inspectie van het Onderwijs al in 2018 wees. Agoras kiezen bewust voor geen klassen, toetsen en cijfers in de traditionele zin; leerlingen bouwen hun kennis op in een gemengde, gemeenschapsgerichte setting met veel autonomie. Sinds Wings Agora (Roermond, 2013) groeide de beweging snel: na landelijke aandacht door onder anderen historisch publicist Rutger Bregman ontstond meer belangstelling en sindsdien zijn er meerdere locaties bijgekomen. In 2026 zijn er volgens het artikel 21 Agorascholen voor voortgezet onderwijs, drie voor primair onderwijs, één mbo-opleiding en vijf in oprichting; eerdergenoemde cijfers noemden ook 25 Agorascholen met 3.349 leerlingen.

De groei ging niet zonder controverse. Nadat Wings Agora aanvankelijk positieve berichten kreeg, vielen de examenresultaten in 2019 tegen en ontstond een felle discussie tussen voorstanders van zelfgestuurd, constructivistisch leren en voorstanders van traditioneel klassikaal onderwijs. Critici wezen op mogelijke kennisachterstanden en gebrek aan pedagogische sturing; voorstanders benadrukten juist dat leerlingen in vrijheid beter gemotiveerd raken en vaak andere talenten tonen dan hun schooladvies suggereert.

Die kritiek leidde tot inspectiebezoeken en herstelopdrachten. De Onderwijsinspectie signaleerde bij sommige Agoras gebrekkige kwaliteitscontrole en onvoldoende duidelijke leerdoelen. Als reactie pasten veel Agoras hun aanpak aan: eerstejaars maken nu standaard een taaltoets en tussentijdse toetsen komen terug, al vaak op flexibele momenten in overleg met coaches. Er werden vakexperts aangesteld voor Nederlands, wiskunde en burgerschap en extra vakgerichte lessen in de onderbouw geïntroduceerd. Ook werd de examenvoorbereiding formeler ingericht; daarnaast publiceerde Jan Fasen een uitgebreide handleiding over het omgaan met inspectie-eisen.

Die bijsturing lijkt effect te hebben. Hoewel nog maar een beperkt aantal Agoras examenresultaten heeft opgeleverd, laten door de scholen zelf bijgehouden cijfers uit 2023 goede slagingspercentages zien: mavo 97,7% (landelijk 91,9), vwo 94,4% (landelijk 90,8), havo 87,6% (landelijk 87,9). Het artikel waarschuwt wel dat het om kleine aantallen gaat en dat resultaten daarmee minder robuust zijn. Sommige Agoras kregen na inspectiebezoeken alsnog herstelopdrachten, maar geen school kreeg een onvoldoende.

In de praktijk verschillen dagen op Agoras zichtbaar van reguliere scholen: gangen vol groepjes die aan projecten werken, wisselende lokalen en eigen werkplekken die leerlingen vaak zelf hebben gemaakt. Leerlingen als Valentijn (15), met een vmbo-advies en dyslexie, laten zien hoe het model kan ontketenen: hij bouwde een eigen dronebedrijf, organiseert feesten en werkt naar een havo-diploma toe, volgens de directeur door te bouwen op zijn sterke kanten in plaats van te focussen op zwaktes. Tegelijk is er ook een herkenbare kanttekening: voor examenklassen keren deels klassieke, klassikale elementen terug — bij Saga Driehuis krijgen examenkandidaten per vak nog weliswaar beperkt klassikaal onderwijs, maar met huiswerk dat op school zelfstandig verwerkt wordt.

Het debat rond Agora raakt aan een bredere Nederlandse traditie van vernieuwingsscholen (Montessori, Dalton, vrije scholen) die veelal kinderen van hogeropgeleide ouders trekken. Agoras zijn geen Randstedelijk verschijnsel; veel locaties liggen in het zuidoosten van het land en vaak werken ze organisatorisch onder bestaande besturen (zoals Dunamare), wat ruimte biedt voor faciliteiten en bestuurlijke ervaring.

De meningen over de lange termijn levensvatbaarheid van het concept blijven verdeeld. Bestuurders en oprichters zien bemoedigende signalen maar noemen het nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken; volgens Dunamare-bestuurder April van Loenen duurt het volgens haar acht jaar voordat echt duidelijk is of groei en financiering duurzaam zijn. Inspectie-directeur Rutger Pol erkent dat Agoras een antwoord bieden op gedocumenteerde motivatieproblemen bij Nederlandse leerlingen en vindt dat reguliere scholen daarvan kunnen leren — maar onderhoudt tegelijk de noodzaak van meetbare resultaten en kwaliteitsbewaking.