In een klooster in Zuid-Libanon worden sjiitische moslims opgevangen. 'We kunnen hier vasten en bidden'
In dit artikel:
Een uur voor zonsondergang luiden in de bergen van Zuid-Libanon kerkklokken het begin van de Goede Vrijdagprocessie in. Biddend en zingend trekken tientallen mensen langs kruiswegstaties; bij elke stop spelen dorpskinderen scènes uit de lijdensweg van Jezus. De landelijke rust wordt voortdurend doorbroken door het gezoem van drones, laag overvliegende gevechtsvliegtuigen en het gedreun van Israëlische bombardementen elders in het zuiden. Veel bewoners zijn weggetrokken naar het noorden; de processie is dit jaar slechts een schim van wat gebruikelijk is.
Centraal in het verhaal staat het Sint Petrus en Paulusklooster bij Jezzine, net ten noorden van de Zahrani-rivier die door het Israëlische leger (IDF) als grenszone en begin van een door Israël geëiste evacuatiezone wordt gehanteerd. Het klooster heeft tientallen ontheemden uit Zuid-Libanon opgevangen, waaronder sjiitische families die onder vuur waren komen te liggen. Nabil Limaa, een 60‑jarige vluchteling, vertelt hoe hij in pyjama het dorp ontvluchtte en door de priester zonder vragen werd binnengelaten: er waren bedden, warm water en de mogelijkheid om tijdens de ramadan te bidden en te vasten. Zijn ervaring markeert een opvallende praktijk van hulpverlening over religieuze lijnen heen: christelijke geestelijken bieden onderdak aan sjiitische moslims, iets dat in Libanon gevoelig ligt vanwege de herinneringen aan sectaire vijandigheden uit de burgeroorlog.
Sinds het hervatten van de gevechten tussen Israël en Hezbollah begin maart zijn naar schatting ongeveer een miljoen Libanezen op de vlucht geslagen. Het Libanese ministerie van Volksgezondheid meldde ongeveer 1.500 doden en ruim 4.600 gewonden door Israëlische aanvallen. Het IDF zegt Libanees grondgebied te bezetten en huizen in het directe grensgebied te vernietigen; mensenrechtenorganisaties wijzen erop dat het oorlogsrecht willekeurige aanvallen en gedwongen verplaatsing verbiedt en waarschuwen voor oorlogsmisdaden wanneer burgers worden doelloos getroffen.
De gevechtsacties hebben ook geleid tot toenemende isolatie van het zuiden: gebombardeerde bruggen beperken de toegang, en sommige dorpen zijn moeilijk tot niet bereikbaar. In en rond de stad Tyrus verblijven nog tienduizenden inwoners en Palestijnse vluchtelingen; lokale hulpverleners waarschuwen voor tekorten aan voedsel, hygiënepakketten en medische zorg. In het grensdorp Rmeish weigeren ongeveer 6.500 inwoners te vertrekken uit angst nooit meer terug te mogen keren; voorraden raken uitgeput en wegen zijn onbegaanbaar, terwijl het Libanese leger zich terugtrok en Israëlische troepen dichterbij komen.
Ook buiten officiële evacuatiezones blijft het gevaar groot. De IDF voerde aanvallen uit zonder evacuatieorders, waarbij tientallen slachtoffers vielen, onder wie kinderen en journalisten; beelden van verbrande voertuigen en beschadigde wegen getuigen van de recente inslagen. Tegelijkertijd blijven in Jezzine zo’n tienduizend ontheemden schuilen in scholen, kloosters en opvanglocaties; lokale autoriteiten en vrijwilligers proberen met beperkte middelen hulp te coördineren. Schooldirecteur Colette Slim stuurt de noodopvang aan en merkt dat veel mensen bekende plekken uit 2024 opnieuw opzoeken: ze weten waar ze vroeger verbleven en keren terug naar diezelfde kamers.
Het opvangwerk van de priesters Petrus Akoury en Filemon Salwan trekt veel aandacht en lof, ook van staatshoofden. De geestelijken benadrukken dat hun handelen niet religieus gemotiveerd is maar voortkomt uit menselijke solidariteit: „Mensen sliepen op straat, hoe konden wij niets doen?”, aldus een van hen. Hun inzet raakt een gevoelige snaar in Libanon: Israël heeft christelijke en druzische leiders in grensdorpen onder druk gezet om geen sjiitische vluchtelingen op te nemen, uit vrees voor escalatie. De hulpverlening in Jezzine staat daar haaks op en fungeert als een praktisch tegengeluid tegen sectarische afscherming.
Voor veel ontheemden — zoals Limaa — heeft de ervaring diepe impact. Waar hen vroeger was geleerd afstand te houden van „die christenen”, ziet hij nu een voorbeeld van co-existentie en wil hij zijn kinderen leren geen religieuze grenzen te accepteren. De processie van Goede Vrijdag in Jezzine is daarmee niet alleen een religieuze traditie te midden van oorlogsgeluiden, maar ook een symbool van wederzijdse hulp en de moeite om sociale banden te bewaren in een verscheurd land.