In 'Een hond aan mijn tafel' is oud zijn een avontuur

woensdag, 15 april 2026 (11:46) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Claudie Hunzingers nieuwe roman Een hond aan mijn tafel vertelt in de ik‑stem van Sophie Huizinga — een duidelijk alter ego van de Franse schrijfster — over ouder worden, verlies en de drang om te blijven schrijven. Sophie en haar man Grieg wonen afgezonderd in een leeg huis in Les Bois‑Bannes in de Vogezen. Beiden zijn oud, hun lichamen beginnen af te takelen en de buitenwereld trekt aan hen voorbij; Sophie brengt haar dagen door met mijmeren over een roman die maar niet wil vlotten.

Het verhaal kantelt wanneer een gewonde hond uit het struikgewas verschijnt. Sophie neemt het dier in huis, baadt en voedt haar, en noemt haar Yes. De komst van de hond werkt als katalysator: waar Sophie eerder vooral binnenskamers en in haar herinneringen leefde, dwingt Yes haar naar buiten, naar zintuiglijke ervaringen en eenvoudige handelingen. Die ommekeer roept grote vragen op over waarom schrijven nog zin heeft in een wereld die volgens Grieg op instorten staat, en over wat ouder worden in wezen betekent.

Hunzinger laat in de novelle de grenzen tussen genres vervagen: herinnering en verbeelding lopen door elkaar, feit en droom wisselen elkaar af, en de vertelling zweeft tussen non‑fictie en fictie. Sophie neemt de lezer mee langs haar jeugd in een streng internaat, de vroegere passie van haar huwelijk met Grieg, en de dagelijkse realiteit van een ouder wordend lichaam. Schrijven verschijnt als een verzetshandeling tegen vergankelijkheid — een manier om een tweede, parallelle tijd op te roepen waarin je zowel intens op de wereld betrokken bent als er tegelijk buiten staat.

Centraal staat de houding waarmee Sophie haar laatste levensfase inkijkt: niet als berusting maar als expeditie. Ouderdom wordt voorgesteld als een andere vorm van avontuur waarin kleinere, intieme waarnemingen en het accepteren van imperfectie even belangrijk zijn als grote thema’s als dood en vergankelijkheid. Yes symboliseert die positieve beweging: niet alleen een metgezel, maar ook een aanleiding om opnieuw ‘ja’ te zeggen tegen het leven — zelfs wanneer alles richting einde lijkt te gaan.

De roman biedt zo een gevoelig, soms hallucinant portret van ouder worden en van de schrijverspraktijk als levenshouding: een verlangen om te blijven waarnemen, te blijven verliezen en te blijven vertellen zolang het nog kan.