In 'Divine Comedy' zoekt een Iraanse filmmaker naar een plek voor zijn verboden film

dinsdag, 2 juni 2026 (15:29) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Ali Asgari’s Divine Comedy volgt Bahram, een Iraanse filmmaker (gespeeld door Bahram Ark) die door het regime in Teheran de rechten op vertoning van zijn werk ontzegd krijgt. Net voor de val van de Syrische dictator Assad krijgt hij bovendien een curieus aanbod: op staatskosten naar Syrië om daar een pro-Iraanse kaskraker te maken — inclusief ingehuurde AI‑expert voor special effects. Bahram reageert met een droge, dodepanhumor terwijl om hem heen een bar in allerlei rode tinten exploderen van theatrale vuurbars en cocktailshows.

Zijn redder is producent Sadaf (Sadaf Asgari), zijn Beatrice-figuur in Dante‑stijl: zij scheurt op een roze Vespa door de straten van Teheran met Bahram achterop. Samen proberen ze, ondanks overheidssensoren en bureaucratische tegenwerking, een plek en manier te vinden om Bahrams film toch publiek te laten zien. De tegenstanders zijn dubbel: enerzijds de censurerende staat van Teheran, anderzijds de verleidingen en invloed van Hollywood — ironisch genoeg is de ambtelijke man die Bahram naar Syrië wil sturen juist een groot liefhebber van Amerikaanse populaire films.

Artistiek kabbelt Divine Comedy grotendeels in een lichtvoetige, bij vlagen sitcomachtige toon voort; schokkende onthullingen of rauwe confrontaties blijven uit. Daardoor wijkt Asgari af van collega’s als Asghar Farhadi en Jafar Panahi, die de hardheid van het regime vaak indringender tonen. Toch blijft de film sterke trekken houden: de combinatie van humor, stille wanhoop en de doorlopende drang van de maker om te blijven werken. Bahram’s uitspraak — “Ik móet mijn film vertonen om mens te kunnen zijn” — vat het centrale thema samen: de noodzaak van kunstuiting als existentiële daad tegen censuur en onvrijheid. Divine Comedy zet daarmee een subtiele, bijna speelse maar principiële pleitbezorging neer voor creatief doorzetten onder repressie.