In de supermarkt met een boog om de biologische producten heen: 'Biologische landbouw biedt een schijnoplossing'

maandag, 6 oktober 2025 (11:20) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

Henk Breman (82), agro-bioloog uit Olst met een loopbaan bij Wageningen en lang veldwerk in West- en Centraal‑Afrika, bestrijdt het idee dat biologische landbouw de wereld kan voeden. Na onderzoek in Mali sinds 1972 en jaren in Togo en Rwanda concludeerde hij dat kunstmest geen luxe maar vaak noodzaak is: uitgeputte, arme bodems zijn in veel gebieden de hoofdreden voor lage opbrengsten, niet primair droogte of klimaat. Breman noemt biologische landbouw een “schijnoplossing” omdat de opbrengst per hectare veel lager zou zijn en daardoor veel meer landbouwgrond nodig is om dezelfde productie te bereiken.

Breman wijst op proefveldonderzoek uit zijn Wageningse tijd: systemen met en zonder kunstmest laten zien dat bij toenemende bevolkingsdruk kunstmest nodig is om bodemvruchtbaarheid te herstellen. Hij vergelijkt de Sahel met de arme zandgronden van Drenthe, waar de introductie van kunstmest in de negentiende eeuw landdegradatie stopte doordat minder dierlijke mest en minder uitputting van graslanden nodig waren. Volgens hem houden veel voorstanders van biologisch landbouwrendement onjuist: zij rekenen niet mee dat biologische veehouderij extra land vergt voor organische mestproductie, en momenteel wordt een aanzienlijk deel van biologische teelten zelfs met reguliere mest gevoed vanwege een tekort aan biologische meststoffen. Breman meent dat biologische opbrengsten niet circa 20% maar tot ongeveer 75% lager kunnen liggen, wat neerkomt op een verviervoudiging van de benodigde landbouwoppervlakte bij volledige omschakeling.

Wat milieu betreft pleit Breman dat hogere productie per hectare juist kan bijdragen aan het behoud van natuur doordat minder nieuw land ontgonnen hoeft te worden; zijn Afrikaanse onderzoek koppelde toenemend kunstmestgebruik aan grotere populaties wilde dieren. Tegelijk erkent hij misstanden: decennialang maximaliseerde de Nederlandse landbouw mestgebruik, wat leidde tot overmaat aan stikstof en fosfaat en milieuschade. De oplossing is volgens hem precieze, modelgestuurde optimalisatie van bemesting in plaats van ongecontroleerde maximalisatie; Nederland heeft volgens Breman al vooruitgang geboekt: de stikstofdepositie is sinds eind vorige eeuw ongeveer gehalveerd (van 90 naar 45 kg/ha).

Over gezondheid stelt Breman dat er geen bewijs is dat biologisch voedsel wezenlijk gezonder is — kunstmest levert dezelfde basisvoedingsstoffen als organische mest — en dat pesticidenresten in Nederland doorgaans in zeer lage, meestal ongevaarlijke concentraties voorkomen; de hoge levensverwachting ondersteunt dat beeld. Wat klimaat en droogte betreft ziet hij deze factoren als minder doorslaggevend dan bodemuitputting. Wereldwijd wordt gemiddeld 140 kg kunstmest per hectare gebruikt; in Afrika is dat ongeveer 20 kg/ha. Meer kunstmest alleen is niet genoeg: beleid, infrastructuur en politieke stabiliteit bepalen of productiviteit toeneemt — voorbeelden van vooruitgang zijn Ethiopië en Rwanda, terwijl Congo en Gabon door politiek falen achterblijven en in Zimbabwe de productie soms lager is dan vijftig jaar geleden.

Breman probeert binnen het publieke debat bruggen te slaan tussen conventionele technieken en agro-ecologische benaderingen, maar zijn oproep om grootschalig afscheid te nemen van kunstmest vindt in Nederland weinig weerklank. Hij waarschuwt dat volledige afschaffing van kunstmest wereldwijd voedselprijzen sterk zou opdrijven en vooral arme landen zou treffen: er zijn al zo’n 800 miljoen mensen ondervoed, en hij vreest een veel grotere humanitaire crisis als opbrengsten per hectare sterk zouden dalen.