In de kuil die gepassioneerde liefde heet is het behoorlijk donker, vertelt JM Coetzee in gesprek met Arnon Grunberg
In dit artikel:
John (J.M.) Coetzee, inmiddels 85, trad in het najaar van 2025 voor één keer uit zijn zelfverklaarde schrijverspensioen om met Arnon Grunberg in gesprek te gaan in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag; het gesprek, aangevuld met observaties en nabeschouwingen, verscheen 14 januari 2026. Coetzee, beroemd om zijn spaarzame publieke optredens en zijn terugkerende personage Elizabeth Costello, gebruikte het gesprek om centraal te stellen waar zijn werk al decennia om draait: ouder worden, verlangen, jaloezie, en de manier waarop ethiek en erotiek elkaar belemmeren en doorkruisen.
Elizabeth Costello — een figuur die sinds 1997 herhaaldelijk in zijn werk opduikt en nu in een nieuwe bundel is samengebracht — fungeert voor Coetzee als een spiegel voor veroudering en afnemende begeerte. In romans als Langzame man (2003) en in recent werk als De Pool (2023) behandelt hij telkens dezelfde kernvragen: hoe verandert liefde als het lichaam verzwakt, en in hoeverre kan mededogen de plaats innemen van begeerte? Coetzee laat zien dat mededogen vaak geen erotisch verlangen is maar een andere, armere vorm van genegenheid — een thema dat terugkeert in zijn portretten van ouders en kinderen, en in de pijnlijke beeldspraak van de oude moeder die door haar zoon als een ‘zeeleeuwin’ in het circus wordt gezien.
Grunberg beschrijft Coetzee buiten het spreekgestoelte eerst informeel in Hotel Des Indes; de schrijver oogt vitaal, ironisch en strijdlustig, al verraadt een kort schrikmoment bij het oversteken de kwetsbaarheid van ouderdom. Coetzee had Grunberg vooraf gevraagd zich grotendeels aan zijn voorbereide antwoorden te houden — hij voelt zich gepensioneerd en werkt graag met een vooraf opgesteld tekst — maar gaf desondanks ruimte voor improvisatie tijdens het gesprek en de daaropvolgende lezing.
Een belangrijk deel van de ontmoeting ging over Coetzee’s redactie van de onvoltooide roman Van man tot man van de 19e-eeuwse Zuid-Afrikaanse schrijfster Olive Schreiner. Coetzee verdedigde zijn ingreep tegen hedendaagse kritiek op culturele toe-eigening door te wijzen op de grensoverschrijdende kracht van grote kunst en de historische context: wie bepaalt in welke schijnbare ‘exotische’ wereld een schrijver mag tasten? Hij nam tegelijk afstand van Schreiners politieke activisme als de reden waarom haar literaire project niet afgerond raakte en bekritiseerde de bewerking door haar echtgenoot Samuel Cronwright, die volgens Coetzee veel seksualiteit en scherpe observaties uit haar tekst verwijderde. Coetzee voegt zelf een slothoofdstuk toe om het werk af te maken — een handeling die tegelijk reverent en rivaliserend aandoet.
Het gesprek verbond literaire thema’s met psychoanalyse. In zijn Freudlezing, die Grunberg besprak, analyseerde Coetzee jaloezie, rivaliteit en de mimetische aard van verlangen: mensen begeren vaak wat anderen begeeren. Hij verwees naar Freud’s eigen rivaliteitsmotivaties rond Martha Bernays en plaatste zo persoonlijk verlangen in een bredere theorie van imitatie (denk aan René Girard). Dramatische voorbeelden als Othello illustreren volgens Coetzee hoe ziekelijke jaloezie tot destructie kan leiden; Iago is dan minder een externe manipulator dan een stem binnenin die het liefhebbende subject blind maakt voor onduistere kanten van verlangen. Coetzee benadrukt telkens dat kennis — de drang alles te weten over de geliefde — geen remedie is tegen die val in de passies.
Het vragen naar seks en passie doorloopt zijn oeuvre: seks is niet alleen een fysieke kwestie maar een voortdurend moreel en existentiëel probleem. Bij Costello lijkt seksuele activiteit grotendeels verleden tijd, maar haar genuanceerde beschouwingen over passie schokken nog altijd de jongere generaties in haar omgeving. Coetzee toont hoe verlangen en behoefte aan erkenning — of dat nu in je relatie, je werk of je rivaliteit ligt — levens blijven sturen, zelfs wanneer het lichaam afneemt.
De afsluiting van de avond en het gesprek stond in het teken van sterven en keuzevrijheid. Coetzee las uit het nieuwste (laatste) Costello-verhaal De beroerte: een tachtigjarige Costello in Spanje die na een beroerte haar zoon laat weten dat zij de ‘exitpillen’ wil en geen revalidatie. De scène brengt de vraag naar autonomie, verlossing en de plicht van nabestaanden scherp in beeld: zal de zoon haar ‘verlossen’ of opnieuw tekortschieten? Coetzee zegt expliciet dat hij niet gelooft dat literatuur ons kan verlossen — kunst kan vragen oproepen en condities verhelderen, maar geen existentiële bevrijding bieden.
Kleine, menselijke details kleuren het portret: Coetzee, die aanvankelijk tekenen van terughoudendheid toonde ten opzichte van interviews, bleef na afloop veel langer signeren dan gepland; bij zijn tafel stonden vrijwel alleen vrouwen — een ironische slotnoot bij het thema rivaliteit en overleving van schrijverschap, alsof hij daarmee zijn tegenstanders alsnog voorbijging. Grunberg laat zo zien hoe Coetzee, nog steeds scherp van geest maar geconfronteerd met de fysieke beperkingen van ouderdom, zijn hoofdthema’s — verlangen, rivaliteit, ethiek en sterven — ook in persoonlijk gedrag en redactionele keuzes voortdurend verkent.