In CGK zijn fundamenten van kerk-zijn in het geding
In dit artikel:
Dr. J.W. (auteur) reageert op een opiniebijdrage van prof. Maris (RD, 16 februari) over de crisis binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK). Hij verdedigt het rapport “Zoek eerst het Koninkrijk van God... Een weg uit de impasse” — het zogenoemde rapport kerk-zijn — waar hij zelf als lid van de brede studiecommissie aan meewerkte (synode 2019–2022. Het rapport poogt zorgvuldig de verhouding tussen Kerk (als lichaam van Christus) en kerkverbanden te beschrijven en erkent dat kerkelijke verscheidenheid door taal, land en cultuur historisch onvermijdelijk is.
De auteur bekritiseert Maris vanwege gebrek aan nuance. Maris gebruikte volgens hem sterke termen zoals “listige constructies” zonder concreet aan te geven welke constructies of wie daarbij betrokken zijn. De schrijver benadrukt dat hij het initiatief van Rijnsburg niet als listig ziet en dat wie dergelijke beschuldigingen uit — naar Mattheüs 18 — het gesprek had moeten zoeken. Verder betreurt hij dat het rapport kerk-zijn nauwelijks in de classes is besproken; de studiecommissie bood zich wel aan voor nadere bespreking, maar daar kwam weinig aanspraak op.
Een belangrijk onderwerp is het verschijnsel van de “gesloten kansels” (het niet uitnodigen van predikanten uit andere gemeenten). De auteur plaatst de oorsprong daarvan in een breuk die in de jaren zestig ontstond en sindsdien verder is gegroeid door uiteenlopende visies op prediking en onderlinge herkenning. Hij vertelt dat hij voor het rapport een hoofdstuk over dit onderwerp schreef, maar dat dat uiteindelijk niet in de eindversie werd opgenomen. Hij weerlegt Maris’ beeld dat vooral behoudende gemeenten systematisch afstand zouden nemen: in zijn eigen predikantschap van 25 jaar waren er juist vele gemeenten aan één kant van het spectrum die hem nooit een preekverzoek deden, wat volgens hem een even eenzijdige lezing uitsluit.
De auteur keert zich ook tegen het buitenkerkelijk aanwijzen van de CGK van Hoogeveen als roepende kerk via een kort geding; hij vindt dat die stap niet buiten de kerkelijke weg had moeten worden genomen. Zijn inzet is herstel van de synodale structuur en een gezamenlijke weg van bekering, opnieuw geordend rond Schriftgezag, de gereformeerde belijdenis, de kerkorde en synodale besluiten — in die volgorde. Volgens hem is de kern van de breuk in het CGK-discours wezenlijk: het gaat om het gezag van Gods Woord, om woordbreuk en om het niet handhaven van kerkelijke tucht — niet om louter vertrouwde gebruiken of gezichten.
Achtergrond: de auteur was moderamenlid van de synode (2019–2022), adviseur synode 2024–2025, commissielid rapport kerk-zijn en is voorzitter van de kerkenraad van CGK Rijnsburg.