In 'Alles voor de reis' speelt Adriaan van Dis opnieuw een opzichtig spel met de werkelijkheid en de verbeelding. Gaat hij deze keer een grens over?

maandag, 19 januari 2026 (18:46) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Adriaan van Dis herschrijft rouw tot fictie in Alles voor de reis, een roman die verscheen in januari 2026 en een persoonlijk verhaal over liefde, geheimen en toe-eigening combineert. De verteller — in wezen Van Dis zelf — legt een levenslange, geheime verhouding bloot met een vrouw die in het openbaar verbonden bleef aan een andere man, de kille en vaak spottend aangeduide “Ander”. De relatie beslaat bijna vier decennia: van eerste ontmoetingen en kleine cadeaus tot waken aan het ziekbed dat langzaam sterfbed wordt. Schrijven is voor hem de manier om het gemis te verdragen en hun gezamenlijke tijd opnieuw tot leven te wekken.

Het boek speelt expliciet met de grens tussen werkelijkheid en verbeelding. Van Dis wisselt herinnering, fantasie en directe toespraken aan de dode af: hij praat haar toe, bedenkt scènes om haar af te leiden van pijn en herbouwt haar persoon binnen zijn eigen blik. Leugens en geheimen waren volgens hem onderdeel van de verhouding; niet alleen omdat de geliefde gebonden was aan een ander, maar ook omdat beiden soms kozen het onzegbare te laten bestaan. Die dubbelzinnigheid maakt de roman tot een getuigenis én tot een claim: door te vertellen eist de overlevende de geliefde op voor zichzelf en voor publiek.

De recensie plaatst Van Dis in een traditie van postume toe-eigeningsliteratuur — denk aan Renate Rubinstein — waar door publicatie na een overlijden het beeld van een persoon en zijn relaties ingrijpend kan veranderen. De schrijver wekt zijn geliefde nieuw leven in door kleine, intieme details op te halen — een geel leren portemonneetje uit Milaan, haar ranke gestalte en haar strikte omgang met eten — en transformeert onhebbelijkheden tot heroïsche trekken binnen het geheugen van de minnaar. Tegelijk erkent de verteller zijn bijrol: hij liet zichzelf grotendeels uitgummen, accepteerde delen en het delen van haar.

De roman werpt ook ethische vragen op. De recensent twijfelt of Van Dis niet over privégrenzen heen gaat door intieme informatie over iemand anders openbaar te maken die zelf niet meer kan reageren. Tegelijk wordt geoordeeld dat het literaire procedé sterk en levendig is: rouw, verlangen en schijnbare kleinheid krijgen dramatische formele middelen mee. Symbolen en locaties — Parijs, Gare du Nord, Milaan — onderstrepen het patroon van weggaan en terugkeren, van verlangen en verborgenheid.

Alles voor de reis functioneert dus als monument én reconstructie: een poging van een nabestaande om via taal bezit te nemen van verlies, om een gedeelde geschiedenis te narrativiseren en om de vraag te stellen hoe ver je mag gaan met het zichtbaar maken van een ander in naam van je eigen rouw.