Ik zou graag een luizentante willen zijn, mag dat?

vrijdag, 14 augustus 2026 (16:20) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

Een onhandig incident met een hondenpoepzakje in de buggy van haar nichtje bevestigt voor de auteur dat het moederschap niet bij haar past. Toch wil ze, samen met haar kinderloze vriend, een betekenisvolle rol spelen in het leven van haar nichtjes en neefjes. Die rol hoeft niet te bestaan uit luiers verschonen of dagelijkse opvang: ze wil vooral luisteren, troosten, meegaan naar sport, natuur en muziek laten ontdekken en een vast aanspreekpunt zijn.

Volgens Joyce Weeland, universitair hoofddocent pedagogische wetenschappen aan de Erasmus Universiteit, kunnen kinderen zich veilig hechten aan meerdere vaste opvoeders. Ook tantes, ooms, grootouders, broers, zussen en andere betrokken volwassenen kunnen belangrijke hechtingsfiguren zijn. Kinderen met een breed netwerk doen het volgens onderzoek beter op school, ervaren meer welzijn en ontwikkelen hun talenten en veerkracht gemakkelijker. Die veerkracht is niet alleen een persoonlijke eigenschap, maar wordt mede mogelijk gemaakt door een steunende omgeving.

De auteur plaatst dit in de bredere verandering van het gezin. Het traditionele kerngezin is minder vanzelfsprekend door scheidingen, samengestelde gezinnen, queergezinnen en de groeiende groep mensen die bewust kinderloos blijft. Tegelijkertijd rust de meeste zorg nog altijd op ouders, vooral op moeders. De westerse moedercultus schept het beeld dat een moeder alle behoeften van haar kinderen moet kunnen vervullen, terwijl dat volgens Weeland onmogelijk is. Niet-moeders krijgen weinig voorbeelden of maatschappelijke ruimte om op andere manieren voor kinderen te zorgen.

Historisch gezien is gedeeld opvoeden juist heel gebruikelijk. Onderzoek naar andere samenlevingen laat zien dat familieleden en gemeenschapsleden er een actieve rol hebben. Volgens de antropoloog Sarah Blaffer Hrdy heeft het uitbesteden van zorg mogelijk zelfs bijgedragen aan het succes van de menselijke soort. Ook de grootmoederhypothese gaat ervan uit dat oudere vrouwen na de menopauze een belangrijke rol kunnen spelen in de zorg voor kinderen.

In de afgelopen eeuw raakten families geografisch verspreid en werden gezinnen kleiner. Daarnaast namen kerken, vakbonden en andere gemeenschappen aan belang af. De zorg voor kinderen werd verder geprofessionaliseerd via onder meer kraamzorg, consultatiebureaus, scholen en medische instellingen. Daardoor vragen ouders minder vaak hulp aan familie, vrienden en buren, terwijl professionele jeugdzorg overbelast raakt. Ook neemt het sociale vertrouwen af: kinderen komen minder bij andere gezinnen over de vloer en groeien op in homogener netwerken.

Het gezegde ‘it takes a village to raise a child’ is daardoor ingewikkeld geworden. Ouders zeggen vaak dat ze een dorp nodig hebben om ontzorgd te worden, maar staan niet altijd open voor bemoeienis van anderen. In Nederland is het dorp bovendien grotendeels vervangen door professionele instellingen. Tegelijkertijd zijn niet-ouders vaak eenzamer en hebben ouders behoefte aan steun. Volgens Weeland kunnen kinderen juist een brug vormen tussen verschillende mensen en organisaties in een wijk, als ouders en niet-ouders elkaar weer leren vinden.

De auteur herkent dat gemis aan gemeenschap in haar eigen leven. Ze woont niet meer bij haar familie, werkt als freelancer vanuit huis en kent weinig mensen in haar dorp. Daarom besluit ze haar zussen te vragen of zij en haar vriend structureel hulpouders mogen worden, bijvoorbeeld maandelijks een dag. Ook wil ze de plaatselijke basisscholen helpen. Wanneer ze ziet dat de scholen gaan fuseren, stelt ze een wijkfeest voor en biedt ze zich aan als vrijwilliger, desnoods als ‘luizentante’. Zo wil ze bijdragen aan de opvoeding zonder zelf moeder te worden — op een manier die past bij haar eigen talenten en grenzen.

BEKIJK OOK:

De Oranjezomer: Noa Vahle zet vraagtekens bij transfer Mika Godts naar Paris Saint-Germain