'Ik vind die Buddingh' dus pudding'
In dit artikel:
Op 15 april 2026 reflecteert de schrijver in een persoonlijke aflevering op de relatie met zijn vader en hun verschil in smaak voor poëzie. In de herinnering leest hij thuis gedichten van Cees Buddingh’ voor — onder andere stukjes uit de bundel Het mes op de gorgel (1960) en het beroemde verzenpaar rond de blauwbilgorgel — maar de vader reageert afwijzend: hij noemt het geklets en maakt spottende opmerkingen, zelfs over andere klassieke communistische schrijvers in huis zoals Theun de Vries (van wie moeder juist hield). De verteller geniet tegelijk van die confrontatie omdat ze laat zien dat zijn eigen tijd aangebroken is; hij vertelt ook dat hij eind jaren zestig zelf Buddingh’-achtige teksten schreef, waarvan enkele in zijn eerste bundel belandden.
Later ontdekt hij dat de exemplaar van Buddingh’ in zijn boekenkast oorspronkelijk van zijn vader was: het draagt diens handtekening en af en toe heeft de vader een regel onderstreept. Dat geeft een dubbel gevoel — enerzijds bevestigt het dat de vader niet volledig ongevoelig was, anderzijds wekt het melancholie omdat de poëzie die hem ooit zo trof hem nu minder raakt. Tegelijk leeft de traditie voort: zijn kleindochter kent de blauwbilgorgel uit haar hoofd en reciteert de slotregels met hem mee. Die combinatie van generatiekloof, literaire affectie en een lichte weemoed over vergankelijkheid vormt het hart van het stuk, waarin humor en spijt elkaar afwisselen en de dichterlijke erfenis zowel verloren als verbonden lijkt.