Ik vergeet mijn kameel, en ontwaak pas als blijkt dat ik gewonnen heb
In dit artikel:
Tante Nicolien wordt, hoestend en nog niet beter, door haar zus opgeroepen naar de kermis op de Grote Markt om te helpen bij het kamelenspel. Haar zesjarige neefje Ravi heeft zijn zinnen gezet op een roze inktvis; hij en zijn moeder hebben al twee punten en hebben Tante Nicolien’s preciesheid nodig om de derde te scoren. Op de kleine kermis zit ze binnen tien minuten bij een kraam met twaalf kleurige mechanische kamelen die vooruit hobbelen na het rollen van een bal in een geel, blauw of rood gaatje. Het spel blijkt lastiger dan het lijkt, maar met wat hulp van een Marokkaanse speler — die haar zachtjes laat zien hoe ze moet rollen — wint ze uiteindelijk toch en raakt Ravi dolblij met zijn prijs.
De scène wisselt lichtvoetig plezier af met familiegedoe: de zus vertelt dat ze Ravi al om twaalf uur van school heeft gehaald omdat ze korte schooldagen voor een jong kind vindt, en dat lange dagen en later mogelijk huiswerk haar verontrusten. Tante Nicolien raadt aan niet teveel uit te leggen tegen leraren, uit vrees dat woorden tegen je gebruikt worden. Ze eindigen samen bij de poffertjestent, waar de inktvis prominent op tafel ligt en de boter op de pannenkoekjes glanst.
Het verslag combineert een alledaagse kermiservaring en familierelaties met een kleine maatschappelijke onderstroom over schooltijden en opvoedkeuzes, plus een kort moment van reflectie op stereotype beelden die opduiken bij de kermiskarakterisering.