'Ik schijn een "fanatieke activist" te zijn, vanwege mijn kritiek op Israël en de verrechtsing in Nederland'

dinsdag, 14 april 2026 (17:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

De auteur beschrijft hoe haar naam, uiterlijk en achtergrond op sociale media en in sommige kringen leiden tot agressieve, soms expliciet racistische reacties. Een recente reflectie in Trouw over het gebod "gij zult niet doden" — en de morele spanning rond gewapend verzet van bezette bevolkingen — leverde haar stevige verwijten op; zonder context werden haar woorden door rechts-populistische en pro-Israëlische activisten bestempeld als gevaarlijk. Dit illustreert volgens haar hoe de huidige politieke constellatie mensen ertoe aanzet openlijk en met naam en toenaam te intimideren.

Ze plaatst haar persoonlijke ervaringen in een breder debat over journalistieke onpartijdigheid. Historicus Geerten Waling noemde haar een activist en stelde dat activisme onverenigbaar is met journalistiek. De schrijfster verzet zich tegen die diskwalificatie: zij ziet zichzelf als een geëngageerde journalist en columnist, juist omdat persoonlijke afkomst en politieke verhoudingen elkaar doorkruisen. Als iemand volgens Waling wél aan het ideaal van “no-nonsense journalistiek” zou voldoen, is dat Lamyae Aharouay, schrijft de auteur — en verwijst naar Aharouays vertrek uit het Binnenhof-werk na jaren van confrontatie met de machtsovername van extreemrechts en het gebrek aan steun van Haagse collega’s. Publieke reacties op Aharouays essay waren volgens de auteur veelal koel of laconiek; ook politici en mediatypen suggereerden dat zij de strijd had kunnen volhouden.

De kern van het stuk is de kritiek op het idee dat politieke debatten over thema’s als “omvolking”, “remigratie”, islamisering of veranderende demografie niet persoonlijk van toepassing zouden zijn op journalisten met een migratieachtergrond. Terwijl Waling betoogt dat zulke discussies niet per se over haar gaan — ook al vroeg hij zich af of ze wel “echt Nederlander” wil zijn — ervaart zij ze juist als directe bedreigingen van haar burgerschap en veiligheid. Ze legt hypocrisie bloot: wie bepaalt wie “Nederlander” is, en wie krijgt het voorrecht onopgemerkt door het publieke domein te bewegen? Ze verwijst spottend naar Walings eigen verleden van contacten met controversiële figuren om zijn morele superioriteit te relativeren.

Tegelijk signaleert de schrijfster dat politiek en journalistiek steeds moeilijker te scheiden zijn in een klimaat waar rechts zich genesteld heeft in parlement en kabinet en waarin beleidsvoorstellen — zoals de 2024-motie van VVD’er Bente Becker over het registreren van culturele en religieuze normen van Nederlanders met een migratieachtergrond — leiden tot extra surveillance en polarisatie. Haar conclusie: persoonlijke betrokkenheid is onvermijdelijk en hoeft niet de democratische functie van de journalist te ondermijnen; het framen van betrokkenheid als diskwalificatie is vooral een strategie om tegengeluiden te delegitimeren.