'Ik hoef niet met bomen te communiceren om ze te bewonderen', zegt schrijver Koos van Zomeren (bijna 80)

woensdag, 25 februari 2026 (11:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Koos van Zomeren, bijna tachtig en nog dagelijks schrijvend, is in ruim zes decennia een onmiskenbare stem in het Nederlandse natuurschrift geworden. Sinds zijn debuut op negentien publiceerde hij volgens zijn uitgever meer dan zestig titels: romans, thrillers, columns en omvangrijke verzamelwerken als Alle vogels (2017) en Heel de natuur (behalve vogels) (2022). Voor zijn oeuvre kreeg hij onder meer de Jan Wolkers Oeuvreprijs; toch worstelt hij met het gevoel dat hij nooit de mythische status van een “grote” auteur heeft bereikt. “Soms vraag ik me af: waar doe ik het voor?”, zegt hij, en elders noteert hij scherp dat zonder lezers iemand wel een goede schrijver kan zijn, maar geen belangrijke.

Van Zomeren woont in Arnhem (voorheen Woerden) en hanteert een streng ritme: ochtendwandeling met de hond, daarna uren typen op zijn geliefde schrijfmachine (een Olympia). Hij is een tradionele werker die digitale overstap ontweken heeft; wie contact zoekt krijgt het mailadres van zijn vrouw Iris, met wie hij al meer dan vijftig jaar samen is. Vier dagen per week werkt hij aan nieuwe teksten — romans, dagboekaantekeningen of natuurobservaties — en noemt die uren “momenten van sereniteit”. Zijn schrijfstijl wordt geroemd om precisie en poëtische observatie zonder sentimentele overgave: geluiden, vormen en handelingen van dieren en bomen probeert hij trefzeker vast te leggen, vaak met een verrassend rijk vocabulaire dat hij door decennia veldwerk verwierf.

Het artikel beschrijft ook hoe Van Zomeren zijn literaire koers bewust koos en daardoor wellicht publiekelijk beperkt bleef. In plaats van zich te profileren als polemisch essayist of opiniemaker, verdiepte hij zich in koeien, bomen, hazelwormen en klapeksters — onderwerpen die hem vrijheid boden maar minder aandacht in literaire kringen opleverden. Hij geeft toe dat die keuzes hem destijds verhinderd hebben “dé koeienman” of een breed politiek-geëngageerde intellectueel te worden die in talkshows verschijnt. Die terughoudendheid paste bij zijn temperament: liever nauwkeurige observaties dan programatische standpunten.

Dat gezegd hebbende heeft Van Zomeren een politiek verleden dat contrasteert met zijn latere werk: midden jaren zeventig was hij actief in maoïstische kring en betrokken bij de oprichting van de Socialistische Partij, waarin hij zijn pen inzet­te voor arbeidersstrijd en ideologie. Achteraf ziet hij die periode als een poging aansluiting te vinden bij het gewone leven van mensen zoals in zijn jeugd in Herwijnen; later werkte hij bij Nieuwe Revu en vond via journalistieke natuurreportages langzaam afstand van de politieke eisen van toentertijd. Natuur schrijven betekende voor hem een zekere ontkoppeling van de goed-of-fout-etiketten uit de politiek — in de natuur telt wat is, niet wat je ervan vindt.

Tijdens een gezamenlijke wandeling door Arnhem illustreert het verhaal hoe zijn aandacht soms in kleine, stedelijke mozaïeken tot diepe overpeinzingen leidt: elzenbroekbosjes tussen school en sportveld, een monumentale atlasceder op een voormalig schoolplein, of de herinnering aan een kievitengezin dat hem het beeld van vergankelijk geluk opleverde. Persoonlijke herinneringen, zoals de relatie tot honden uit zijn jeugd en het verlies van zijn hond Stanley in Grindelwald, lopen als een rode draad door zijn teksten en geven zijn natuurobservaties vaak een intieme, memoireachtige lading.

Van Zomeren verzet zich tegen wat hij noemt ‘bezielde taal’ die bomen of ecosystemen quasi-menselijke eigenschappen toedicht. Voor hem volstaat alledaagse eerbied: erkenning dat bomen eeuwenlang op hun plek staan en zodoende iets unieks verdienen. Tegelijkertijd is hij bezorgd over de staat van landschap en fauna: signalen als verminderde herfstkleur, effecten van stikstof, droogte en de bio-industrie maken pijn en brengen hem onvermijdelijk op ethische vragen over onze omgang met andere soorten.

De auteur blijft schrijven ondanks twijfel en het besef van vergankelijkheid; het doel is niet eeuwige roem maar het sparen van momenten en gedachten voor het “grote vergeten”. De angst om te verdwijnen — dat zijn werk en naam langzaam worden vergeten — raakt hem. Toch geeft hij toe dat, ook in deze levensfase, zijn grootste voldoening niet in prijzen ligt maar in zijn familie: zijn twee zonen en kleinkinderen. Zijn schrijven blijft een manier om betekenis te geven aan leven en tijd: klein, precies en ongehaast, geworteld in wandelingen, typemachine en een voortdurende nieuwsgierigheid naar het levende om ons heen.