'Ik ga alsnog dood, dat weet ik ook wel, maar wél op mijn manier', zei Lieke Marsman in februari vorig jaar
In dit artikel:
Lieke Marsman (34), dichter, filosoof en schrijfster, leeft al zeven jaar met een zeldzame vorm van kraakbeenkanker; vijf jaar geleden werd duidelijk dat de ziekte uitgezaaid en ongeneeslijk is. Na jaren van chemo’s, bestralingen en operaties begint ze morgen aan een nieuw klinisch-wetenschappelijk onderzoek — mogelijk dankzij een DNA-analyse van haar tumor die artsen aanvankelijk zinloos vonden. Die test toonde een specifieke mutatie, een vereiste voor deelname aan de trial. Voor Marsman is elke nieuwe behandeling een item op haar persoonlijke “bucketlist”: als het werkt is dat mooi, zo niet, dan kan ze het afvinken.
In haar recent verschenen boek Op een andere planeet kunnen ze me redden bekritiseert ze de medische praktijk omdat die volgens haar te snel stopt met behandelen op grond van een algemeen begrip van “kwaliteit van leven”. Marsman benadrukt dat juist het actief aangaan van behandelingen haar levenslust en zingeving gaf, ook toen de interventies pijnlijk waren — zoals de amputatie van haar arm en schouder drie jaar geleden. Die ingreep werd aanvankelijk afgeraden door haar hoofdbehandelaar, maar uiteindelijk gesteund door een chirurg die haar kende en inschatte dat zij het fysiek en mentaal aankon. Zonder die keuze, zegt Marsman, was ze waarschijnlijk overleden.
Die ervaring veranderde haar vertrouwen in de zorgstelsel dramatisch. Ze beëindigde de traditionele arts‑patiëntrelatie, ervoer een trauma‑reactie bij ziekenhuisbezoeken en werd haar eigen pleitbezorger. Marsman stelt dat protocollen vaak één maat voor alle patiënten hanteren, terwijl rationele keuzes juist moeten aansluiten bij iemands persoonlijke waarden, risicoacceptatie en doelen — voor haar is het rationeel om kleine, onzekere kansjes te nemen.
Naast medische kritiek behandelt het boek ook haar innerlijke transformatie. Na een periode van diepe rouw en depressie vond ze in 2020 tijdens een wandeling op de Veluwe een onthullende troostervaring die haar opener maakte voor spiritualiteit. Ze zegt nu te geloven in iets bovennatuurlijks en noemt ook een verrassende interesse in ufo’s en buitenaards leven; deze geloofsverschuivingen noemt ze deels overlevingsstrategieën in tijden van existentiële dreiging. Marsman gebruikt filosofische argumenten zoals Pascals gok om zowel religieus geloof als het aangaan van medische onzekerheden moreel en rationeel te onderbouwen: omdat de mogelijke winst enorm is terwijl het verlies beperkt, loont het om die ‘misschiens’ niet te laten liggen.
Sociaal-cultureel ziet ze in Nederland een neiging om sterven en aanvaarding te verheerlijken — beïnvloed door calvinistische bescheidenheid en progressieve acceptatie van euthanasie — waardoor strijdlustige patiënten soms worden gezien als buiten de norm. Marsman verzet zich tegen die neerbuigende houding; zij benadrukt dat haar verlangen om te blijven proberen geen ondoordachte levenslust is, maar een bewuste keuze die zij kan uitleggen aan haar naasten en waarop ze rust kan vinden.
Praktisch schetst het verhaal ook het belang van gepersonaliseerde oncologische zorg: zeldzame tumoren zoals kraakbeenkanker reageren vaak slecht op reguliere therapieën, en DNA-gestuurde studies kunnen kansen bieden — mits patiënten de mogelijkheid krijgen om die kleine, maar soms cruciale kansen te benutten.
Marsman erkent dat ze uiteindelijk zal sterven, maar wil dat die afloop op haar manier gebeurt: bereid te accepteren risico’s te nemen en behandelingen te proberen, ook als dat extra pijn of een mogelijk korter leven kan betekenen. Met haar boek wil ze vooral het taboe doorbreken rond het recht om te blijven vechten en patiënten tonen dat het zoeken naar hoop en het geloven in ‘misschiens’ een rationele manier kan zijn om betekenis en levenskwaliteit te behouden.