Ik dans alleen als ik muziek hoor
In dit artikel:
In dit opiniestuk klaagt een Nederlandse columnist over de steeds verder verzurende publieke sfeer: polariserende retoriek, intimidatie en zelfs dreiging met geweld zijn geen uitzonderingen meer, maar raken ingebed in het debat. Hij stelt dat politici wel publiekelijk veroordelen, maar tegelijk meeliften op gevoelens van onvrede, zodat intimidatie door radicale groepen als effectief en belonend gaat voelen.
De auteur wijst op een kloof tussen feiten en perceptie: Nederland staat al jaren hoog in de wereldranglijst van geluk, maar die nuance bereikt de ontevreden burger niet. In plaats daarvan fungeert sociale media als echokamer waarin nuance verdwijnt, agressie de boventoon voert en algoritmes de luidste stemmen verspreiden. Die online haat blijft niet beperkt tot anoniem schelden, maar organiseert zich steeds vaker in besloten netwerken — appgroepen en WhatsApp-kanalen — waar gericht oproepen tot intimidatie circuleren. Een citaat uit zo’n app laat zien hoe artikelen worden rondgestuurd om “de jongens” te mobiliseren tegen de schrijver, met het expliciete doel hem het zwijgen op te leggen.
Persoonlijke ervaring illustreert de escalatie: de columnist ontving lovende reacties, maar ook doodsbedreigingen en bedreigingen richting zijn gezin. Waar men vroeger anonimiteit gebruikte, ontstaan nu gerichte dreigingen die de grens tussen online ergernis en fysieke intimidatie doen vervagen. Als voorbeeld noemt hij een recente uitspraak van Tweede Kamerlid Gidi Markuszower, die op camera pleitte voor het tegenhouden van Palestijnse vluchtelingen met “maximaal geweld” en kogels — een ontwikkeling die volgens de auteur normaliseert dat volksvertegenwoordigers in harde, gewelddadige termen denken over mensenrechten.
Politieke verantwoordelijkheid komt er bekaaid vanaf. De columnist hekelt premier Jetten en het opportunisme van de VVD: in tijden van politieke nood riep men wel grenzen uit, maar tijdens escalaties rondom asielprotesten — onder meer in Loosdrecht — reageerde het kabinet volgens hem lauw en zonder moreel leiderschap. Door die terughoudendheid zou het publieke fatsoen afkalven en wordt iedere afwijkende mening kwetsbaar voor persoonlijke aanvallen.
Als slotplaatje gebruikt de schrijver een anekdote over wielermanager Kees Pellenaars, die bij bedreigingen een bord in zijn tuin plaatste met „Hier is het”, om te voorkomen dat woede zich op onschuldigen richtte. De columnist sluit af met de vraag of hij zijn eigen kinderen niet onveiliger heeft achtergelaten door te spreken, en met de waarschuwing dat democratie stilletjes kan wegrotten in besloten appgroepen waar „de jongens” bepalen wie nog mag meedoen.