Hoogleraar Herman Paul wil christelijke student toerusten voor universiteit

donderdag, 8 januari 2026 (16:07) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Prof. dr. Herman Paul, hoogleraar geschiedenis van de geesteswetenschappen en wetenschappelijk directeur van het Instituut voor Geschiedenis aan de Universiteit Leiden, fungeert voor veel twijfelende christelijke studenten als klankbord en trooster. Vanuit zijn werkkamer in het Huizingagebouw — met een toga aan de kapstok en een knuffelbeer naast het scherm — ontvangt hij vragen als: hoe blijf ik christen op de universiteit, en hoeveel ruimte is er voor mijn academische manier van denken binnen de kerk? Deze gesprekken liggen ten grondslag aan zijn nieuwe boek Een oefening in bescheidenheid. Elf brieven over geloof en geesteswetenschappen.

Paul blikt terug op zijn eigen studietijd in Groningen, waar hij zowel aansluiting vond bij de christelijke studentenvereniging CSFR als bij colleges die kritisch stonden tegenover het christendom. Twee denkers hebben hem sindsdien gevormd: de literatuurgeleerde Erich Auerbach (Mimesis), die hem leerde teksten in meerdere betekenislagen te lezen, en de reformatorische aspectenleer, die werkelijkheid als veelkleurig en gelaagd beschouwt. Deze inzichten maken volgens Paul dat geloof en wetenschap niet per se botsen; ze kunnen elkaar aanvullen en tot meer bescheidenheid leiden dan tot dogmatisch ongeloof.

Paul geeft praktische adviezen aan studenten en hun opvoeders. Ouders en docenten kunnen jongeren helpen door hen te wijzen op de rijkgeschakeerdheid van de werkelijkheid en het vermijden van scherpe tweedelingen — bijvoorbeeld geloof versus wetenschap of traditie versus historisch onderzoek. Waar oudere generaties zich afvroegen hoe ze hun geloof in de wetenschap moesten handhaven, worstelen veel hedendaagse studenten juist met de vraag hoe ze hun kritisch-academische blik in de kerk moeten plaatsen. Paul signaleert dat sommige studenten geneigd zijn prediking als een wetenschappelijke presentatie te beoordelen, wat hun ontvankelijkheid kan verminderen.

Zijn antwoord is niet een kant-en-klare oplossing maar een perspectiefverschuiving: ga deelnemen in plaats van alleen te observeren. Breng je aanwezigheid, stem en kleine praktische bijdragen in de gemeente; sta open voor wat een eredienst kan geven in plaats van alleen te scannen op fouten. Zo vergroot je de kans om werkelijk iets te ontvangen.

Over de verhouding tussen academische wereld en religie merkt Paul op dat veel angst voortkomt uit een verwarring tussen wetenschap en sciëntisme: het reductionistische standpunt van publieke atheïsten is niet identiek aan academisch onderzoek. De universiteit leert vooral vakmanschap in onderzoek en, door het moeizame proces van kennisverwerving, nederigheid. Tegelijk waarschuwt hij dat docenten hun verantwoordelijkheid hebben voor een gezonde gesprekscultuur; werkcolleges mogen geen politieke podiums worden, maar volwassendoen betekent ook leren omgaan met uiteenlopende meningen op de campus.

Paul verdedigt de geesteswetenschappen hartgrondig: ze worden maatschappelijk en politiek vaak onderschat, terwijl ze essentieel zijn om actuele crises en internationale conflicten te begrijpen (bijvoorbeeld via taal- en cultuurkennis). Bovendien ziet hij een natuurlijke affiniteit tussen geloofsgemeenschappen en geesteswetenschappen: beide koesteren het analyseren en toepassen van oude bronnen. Die gemeenschappelijke gerichtheid op verleden en tekst is volgens hem reden genoeg om zowel academische als kerkelijke praktijken te onderhouden en te waarderen.