Honderdduizenden Nederlanders hadden ooit een hantavirus, vaak zonder het te weten
In dit artikel:
Ongeveer 1,7 procent van de Nederlandse bevolking — ruwweg 300.000 mensen — heeft ooit antistoffen tegen een hantavirus aangemaakt, blijkt uit een RIVM/Universiteit Utrecht‑onderzoek uit 2014. Hantavirussen circuleren in knaagdierpopulaties en leiden bij mensen meestal tot milde, niet‑specifieke klachten (koorts, spierpijn, hoofdpijn, misselijkheid). Daardoor blijven veel infecties onopgemerkt: veel mensen merken niets, anderen blijven thuis met wat griepverschijnselen en zoeken geen arts.
In Nederland komen drie soorten voor: puumalavirus (gekoppeld aan de rosse woelmuis), Seoulvirus (ratten) en tulavirus (veldmuizen). Deze lokale varianten verschillen sterk van het Andes‑virus dat recent bij enkele opvarenden van cruiseschip MV Hondius werd vastgesteld; het Andes‑virus geeft in Amerika zwaardere ziektebeelden, heeft een veel hogere sterfte (35–50%) en kan in zeldzame gevallen mens‑op‑mens‑overdracht tonen. Nederlandse varianten veroorzaken zelden ernstige ziekte en hebben een veel lagere sterfte (circa 0,1–1%).
Artsen herkennen een hantavirusinfectie niet altijd: alleen bij een duidelijke combinatie van hoge koorts, nierfalen en melding van knaagdieren zal het snel in beeld komen, legt intensivist Marco Goeijenbier uit. Bovendien komt kennis over deze infecties niet altijd uitgebreid aan bod in de opleiding. Daardoor wordt hanta regelmatig bij andere ziektebeelden geschaard — eerdere studies van Goeijenbier en viroloog Chantal Reusken bijvoorbeeld suggereerden dat veel vermoedelijke leptospirosegevallen (een andere door knaagdieren overgedragen ziekte) in werkelijkheid hantavirusinfecties betrof. In een analyse bleek 4,3 procent van de leptospirose‑negatieven antistoffen tegen hantavirus te hebben.
Verspreiding blijkt regionaal uiteen te lopen: plattelandsgebieden zoals Twente, Salland, de Oirschotse Heide en delen van Limburg hebben een grotere kans op contact met de rosse woelmuis en dus meer puumala‑gevallen, terwijl ratten en daarmee Seoulvirus overal voor kunnen komen, ook in steden. Beroepen met veel contact met knaagdieren (boeren, rattenhouders, ongediertebestrijders) lopen hoger risico.
Hoewel het missen van diagnoses geen acute volksgezondheidscrisis betekent — er is geen specifiek antiviraal middel en behandeling is ondersteunend (bijvoorbeeld niervervangende therapie bij nierfalen) — is juiste herkenning wel nuttig. Een bevestigde hantavirusdiagnose kan onnodige antibiotica, immuunremmers en invasieve procedures zoals nierbiopten vermijden en geeft beter inzicht in de epidemiologie van deze dier‑overgedragen virussen.