'Hoezo geen vernieuwing? En dan nog: je mag best genieten van het repertoire dat er is'
In dit artikel:
Na ruim 23 jaar als artistiek directeur van Het Nationale Ballet neemt Ted Brandsen op 2 juli afscheid van de Amsterdamse Stopera, waar hij in totaal bijna veertig jaar werkte als danser, maker en bestuurder. Hij moet met pensioen omdat de wet voor werknemers van een rijksgesubsidieerde instelling een stop op 67 jaar oplegt, iets wat hij zelf als een gedwongen vertrek ervoer.
Brandsen, sinds 2002 de baas van het grootste dansgezelschap van Nederland, kijkt terug op een loopbaan waarin hij rust bracht na een lastige periode onder zijn voorganger en het gezelschap internationaal verder op de kaart zette. Onder zijn leiding groeiden publiekscijfers, kreeg het repertoire meer variatie met titels als Mata Hari en Frida Kahlo, en trok Het Nationale Ballet grote namen aan zoals Alexei Ratmansky, Christopher Wheeldon en dansers als Olga Smirnova en Jacopo Tissi. Ook de Junior Company werd een succes.
Tegelijk kreeg hij kritiek op een voorzichtige repertoirekeuze en op de balans tussen vernieuwing en publieksvriendelijkheid. Brandsen verdedigt dat door te stellen dat echte artistieke doorbraken niet voortdurend ontstaan en dat ook bestaand repertoire waarde heeft. Zijn eigen choreografieën werden wisselend ontvangen: ambachtelijk sterk, maar volgens sommigen minder gedurfd.
De periode die hem het meest raakte was de coronacrisis, toen hij tegelijk zijn vader verloor en zijn dementerende moeder niet kon bezoeken. Binnen de sector moest hij ook omgaan met spanningen over sociale veiligheid en grensoverschrijdend gedrag, onderwerpen waarover hij zegt dat er inmiddels meer openheid en overleg is binnen het gezelschap. Vanaf nu geeft hij het stokje door aan Ernst Meisner en verhuist hij naar de Algarve, al wil hij zich blijven inzetten voor de Nederlandse dans, die volgens hem nog altijd te weinig waardering krijgt.
Vandaag Inside Oranje: Cybermannetje legt uit: zo leg je een gebruikersnaam vast op WhatsApp