Hoewel ze haar schrijftalent bewondert, kan Antjie Krog haar moeders racisme maar moeilijk aanvaarden
In dit artikel:
Antjie Krog’s Binnenrijm van bloed centreert zich op haar moeder, de schrijfster en boerin Dot Serfontein, en onderzoekt via hun moeder-dochterrelatie grotere thema’s als geboortegrond, herinnering, raciale geschiedenis en de rol van het schrijven. Krog — zelf bekend als dichter, journalist en criticus van het apartheidssysteem, en eerder bekroond voor werk over de Waarheids- en Verzoeningscommissie — keert na een jaar in het buitenland terug naar de Vrystaat en zoekt haar moeder op in een appartement waar ze de laatste jaren verzorgd wordt. De roman, gepresenteerd als autobiografisch, verbindt persoonlijke herinneringen met historisch en journalistiek onderzoek.
Het boek speelt zich af tussen Kroonstad en de familieomgeving in de Vrystaat; delen van de medische aantekeningen lopen chronologisch van januari 2012 tot oktober 2016 en schetsen de fysieke aftakeling van de moeder. Krog verwerkt een veelheid aan tekstsoorten: dag- en nachtrapporten van de verpleegster Victoria, passages uit Serfonteins werk en brieven, jeugdherinneringen, onvoltooide romanschetsen van de moeder, interviews, foto's en dagboekfragmenten. Aanvankelijk verwarrend door sprongen in tijd en perspectief, werkt die veelstemmige montage uiteindelijk als één compositie die fragmenten van een leven en een land bij elkaar brengt.
Centrale spanning in het boek is de diepe persoonlijke band tussen moeder en dochter tegen het decor van scherpe politieke tegenstellingen. Serfontein, afstammeling van Boerenoorlogshelden en bewonderaar van apartheidspolitici, schreef een omvangrijke geschiedenis van Kroonstad waarin de positie van zwarte inwoners ontbreekt; Krog ontwikkelde zich juist tot een geëngageerd tegenstander van het regime, gaf les op een zwarte school en onderzocht structureel geweld. Toch delen ze een erfenis: taalgevoel en het verlangen de werkelijkheid vast te leggen. Die gedeelde artistieke aanleg leidt tot bewondering én wrijving; Krogs lezers krijgen zowel literaire lofuitingen voor haar moeder als voorbeelden van diens ongenuanceerde racistische overtuigingen.
Een onthullend element is het onvoltooide manuscript van Serfontein, dat Krog pas leest als haar moeder verzwakt is. Daarin blijkt Serfontein nieuwsgierig naar vormen van verandering: een verhaallijn gaat over liefde tussen een afhankelijke witte man en een sterke zwarte vrouw. Dat de moeder, ondanks uitgesproken racistische standpunten, in haar verbeelding zulke grenzen verkent, levert een complex en aangrijpend beeld op van iemand die probeert met taal iets van zichzelf te slechten of te herzien. Krog zelf vult de open plekken in het familieverhaal actief aan met interviews — onder meer over relaties die kleurgrenzen overschrijden — en met historisch onderzoek naar zowel de heldenverhalen van de Boerenoorlog als de kant die in die mythologie vaak wordt weggelaten: concentratiekampen, geweld en armoede.
De relatie tussen de oude vrouw en haar verzorgende Victoria vormt een intieme tegenweging: aanvankelijke weerstand tegen een zwarte verpleegster maakt ruimte voor wederzijds begrip, en Victoria’s verslaglegging van alledaagse zorg handhaaft het menselijk lichaam als verhaalobject. Krogs montage van medische observaties naast brieven, literaire fragmenten en journalistieke interviews schetst een leven in stukken maar laat uiteindelijk iets van een patroon zien — een familie- en landsgeschiedenis die nooit helemaal heel wordt, maar wel leesbaar en betekenisvol.
In het nawoord lijkt Krog afscheid te nemen van een leven van schrijven; de recensent twijfelt eraan of ze dat commitment werkelijk kan volhouden. Feit is dat Binnenrijm van bloed door zijn rijke, collageachtige samenstelling en morele ambiguïteit een indringende blik biedt op erfgoed, taal en de moeizame manieren waarop persoonlijke liefde en politiek met elkaar verstrengeld blijven.