Hoe wij omgaan met het 'uitschot van de samenleving'? Jeroen van Bergeijk verbleef een maand in de tbs-kliniek
In dit artikel:
Journalist Jeroen van Bergeijk bracht een maand door in tbs-kliniek De Rooyse Wissel (Oostrum, bij Venray) om een indruk te krijgen van het dagelijks leven achter de beveiligde muren. Eén nacht sliep hij op een echte patiëntenkamer (W8‑25) en beschrijft de fysieke soberheid: een kleine celachtige kamer met rubberen matras, een kleine koelkast, een tv die niet werkt en een badkamer met tijdgestuurde kranen. Die ene nacht gaf hem slechts een fractie van het gevoel van opgesloten zitten; echte tbs‑patiënten blijven vaak jaren — gemiddeld zo’n negeneneenhalf jaar bij tbs met dwangverpleging — en ervaren een permanent verlies aan vrijheid.
Taalgebruik binnen de kliniek verschilt bewust van dat in strafrechtelijke context: “patiënt” in plaats van “gevangene”, “kamer” in plaats van “cel”, en “maatregel” in plaats van “straf”. Van Bergeijk merkt op dat die eufemismen het doel van behandeling onderstrepen, maar ook verhullen dat bewoners toch ingeperkt en beveiligd leven. De Rooyse Wissel profileert zich expliciet als behandelinstelling, niet als gevangenis, maar het complex is streng beveiligd: dubbele hekken met prikkeldraad, metaaldetectoren en camera’s.
De inrichting van het dagelijkse leven draait om combinatie van behandeling en structuur. Het centrale ontmoetingspunt, “Het Plein”, oogt huiselijk en is bedoeld om contact tussen cliënten en personeel te bevorderen. Bewoners wonen in kleinere behandelafdelingen (circa twaalf personen) waar sociotherapeuten 24/7 aanwezig zijn en waar de problematiek per afdeling verschilt (psychische kwetsbaarheid, persoonlijkheidsproblematiek, licht verstandelijke beperking). Veel van de behandeling bestaat uit praktische, relationele interventies: voortdurend gesprekken, observeren hoe iemand erbij zit, gezamenlijke huishoudelijke taken en langzaam werken aan vertrouwen. Sociotherapeuten beschrijven het werk vooral als praten, begeleiden en het leren samenleven.
Van Bergeijk portretteert diverse mensen: van de rusteloze Hendrik (18 jaar in tbs) die regelmatig in crisis raakt en soms naar de separatieafdeling Oase wil, tot Orlando die via beeldende therapie de stilte en grensafbakening toont, en Remco, een zeldzame patiënt die expliciet zegt dat opname hem helpt om te herstellen. De verhalen tonen een breed palet: patiënten die inzicht ontwikkelen en baat hebben bij behandeling, naast mensen die jarenlang ontkenning of beperkte vooruitgang vertonen.
Tijdsbesteding, Leren en Werken (tlw) functioneert als een praktische leerschool: eenvoudige, repetitieve klussen in een werkplaats (Montage) om basisvaardigheden en dagstructuur te trainen. Betaling is minimaal (ongeveer drie euro per uur), maar het doel is arbeidsritme en sociale vaardigheden, niet het product zelf. Therapievormen variëren van groeps- en individuele gesprekken tot beeldende therapie, waarbij kleine gedragsmatige uitwisselingen vaak veel onthullen over grenzen en contactpatronen.
De Oase, Forensic High Intensive Care-unit, is bedoeld voor patiënten in acute crisis. De ruimte is ontworpen met veel aandacht voor veiligheid en prikkelreductie: rubberen bedden, anti‑scheurkleding en elektronische hulpmiddelen om prikkels te reguleren. Tegelijkertijd komt de eenzaamheid en de kille ervaring van afzondering scherp naar voren. Er is een speciaal plusteam dat bij extreme incidenten in beschermende uitrusting ingrijpt; medewerkers benadrukken het spanningsveld tussen zorg en dwang.
Het artikel belicht ook structurele problemen in het Nederlandse tbs‑systeem. Het aantal tbs‑plaatsen is toegenomen en wachttijden zijn flink opgelopen: ongeveer 1.700 mensen zitten momenteel in tbs, rechters spreken vaker tbs uit, en circa 270 veroordeelden wachten op een plaats — soms tot tweeënhalf jaar, ver boven de wettelijke wachttijd van vier maanden. Als gevolg blijven mensen onterecht in gevangenissen, waarvoor de staat schadevergoedingen moet betalen. Tegelijk stagneert de doorstroom omdat passende vervolgplaatsen (minder streng beveiligde fpk’s en fpa’s) ontbreken, waardoor klinieken vol blijven zitten en uitstroom hapert.
Medewerkers worstelen met morele en praktische dilemma’s: zij willen patiënten een tweede kans bieden en werken aan herstel, maar dragen ook de sleutel die iemands vrijheid beperkt. Dat brengt emotionele belasting en ambivalentie mee; hulpverleners noemen het bewust opsluiten van mensen een van de moeilijkste onderdelen van hun werk. Tegelijk zien zij ook kleine successen—een eerste openheid, een stabiele nachtrust, een verlof—als grote overwinningen.
Van Bergeijk’s impressie balanceert tussen beschrijving van de kliniek als behandelomgeving en de harde realiteit van detentie en bureaucratische knelpunten. De reportage illustreert hoe tbs in Nederland een mix is van zorg en dwang: individuen worden behandeld voor ernstige psychiatrische problemen met het maatschappelijk doel resocialisatie, maar het systeem kampt met capaciteitsproblemen, lange doorlooptijden en de lastige taak om veiligheid en herstel te combineren. Zijn slotobservatie is menselijk: collega’s ruiken na hun dienst weer vrijheid en ervaren het contrast met de afgesloten wereld van de kliniek.