Hoe vindt een minderheidskabinet steun voor pijnlijke bezuinigingen? Drie lessen van Rutte II
In dit artikel:
Premier Rob Jetten ging deze week langs bij oppositiefracties in de Tweede Kamer — onder andere bij Jesse Klaver (GroenLinks-PvdA) en Volt-leider Laurens Dassen — om steun te zoeken voor zijn minderheidskabinet (66 zetels in de Tweede Kamer, 22 in de Eerste Kamer). De bezoeken zijn bedoeld om meerderheden te vinden voor ingrijpende bezuinigingen, maar oppositieleiders signaleren dat er nog geen helder plan is voor hoe die steun georganiseerd moet worden: vaste gedoogpartners, deelakkoorden per onderwerp of stemmen per voorstel?
De krant kijkt daarom terug naar de ervaringen met kabinet Rutte II (2012–2017), dat eveneens begon zonder strak plan maar uiteindelijk de grootste hervormingen na de oorlog doorgedrukt kreeg. Toen vond de coalitie (PvdA–VVD) stabiliteit door min of meer vaste steun van D66, ChristenUnie en SGP — de zogenaamde ‘C3’ — nadat een rommelige start, veel onderhandelingen en het afhaken van andere partijen leidde tot een kleinere en meer handelbare samenstelling van onderhandelende partners.
Drie lessen uit die periode die relevant zijn voor Jetten nu:
1) Rommel kan werken, maar vaste partners helpen. Ook Rutte II begon chaotisch; de coalitie moest leren onderhandelen en uiteindelijk vaste steunpartners vinden die structureel meewerkten. Een complicerende factor nu is dat Jetten in beide kamers een minderheid heeft, wat de manoeuvreerruimte beperkt en de kwetsbaarheid vergroot rond de Eerste Kamerverkiezingen van volgend jaar.
2) Externe economische druk kan samenwerking afdwingen. In 2012 werkte de kredietcrisis als katalysator: partijen voelden de urgentie om de overheidsfinanciën op orde te brengen en vonden een gezamenlijk doel. Ook nu speelt economische onzekerheid (bijvoorbeeld als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten en zorgen over inflatie) een rol. Maar het politieke klimaat verschilt: het huidige coalitieakkoord bevat geen grote herverdelingsstappen en verhoogt lasten op arbeid terwijl vermogen ongemoeid blijft, wat links en vakbonden minder bereid maakt om pijnlijke bezuinigingen te steunen.
3) Geef kleine winmomenten en bouw vertrouwen. Toen konden kleinere partijen vanuit de oppositie zichtbaar hun stempel drukken door eigen amendementen en symbolische successen te krijgen; dat vergrootte hun bereidheid tot ondersteuning. Cruciaal waren bescheidenheid van de coalitie en persoonlijke vertrouwensrelaties tussen onderhandelaars. Nu zijn er vertrouwensbreuken — bijvoorbeeld rond pensioenafspraken en communicatiestijl van de minister van Financiën — die dat bouwproces bemoeilijken.
Belangrijke verschillen met 2012 zijn daarnaast ideologische posities: waar de ‘C3’ toen ideologisch tussen PvdA en VVD inzaten, zit de huidige coalitie (D66, VVD, CDA) in het midden en moet zij dus naar links of rechts bewegen om meerderheden te vinden — een lastige opgave met partijen als Progressief Nederland aan de linkerflank en BBB aan de rechterflank.
Kortom: Jetten moet niet alleen gesprekken voeren, maar ook vertrouwen opbouwen, strategische concessions plannen en kleinere zichtbare successen toestaan om oppositiepartijen te binden. De kalender (vooral de komende Eerste Kamerverkiezingen) en de economische context bepalen mede of zulke constructies houdbaar zijn. De ervaringen uit Rutte II tonen dat het kan slagen, maar alleen onder specifieke voorwaarden: duidelijke spelregels, wederzijds voordeel en een gevoel van gezamenlijke urgentie.