Hoe Nederland een paradijs werd voor Duits vluchtkapitaal

vrijdag, 2 januari 2026 (06:08) - Follow the Money

In dit artikel:

De moordaanslag in Sarajevo (28 juni 1914) luidde niet alleen het begin van de Eerste Wereldoorlog in, maar ook het moment waarop Nederland zich geleidelijk ontwikkelde tot een aantrekkelijk toevluchtsoord voor kapitaal. Door neutraliteit, gunstige fiscale regels en bankgeheim stroomden tijdens en vooral na de oorlog grote vermogens – grotendeels uit Duitsland, maar ook uit andere door conflicten en inflatie getroffen gebieden – naar Nederland en Zwitserland.

Nederland belastte buitenlands kapitaal niet en kende een deelnemingsvrijstelling waardoor dividenden van dochtermaatschappijen deels onbelast bleven. Bovendien werd winst in veel gevallen niet direct belast zolang die niet als dividend werd uitgekeerd; invoerrechten waren laag en er bestond een strikt bankgeheim. Samen maakten die elementen het land aantrekkelijk voor multinationals en rijke particulieren die belasting en beslag van buitenlandse autoriteiten wilden ontwijken.

Dat leidde vanaf 1918 tot een massale vestiging van Duitse banken en bedrijven. Volgens De Nederlandsche Bank bestonden er in 1926 zeventig banken in Nederland die door buitenlanders waren opgericht of gecontroleerd. Namens Duitse concerns richtten onder meer Thyssen een interne bank in Rotterdam op; het Amsterdamse filiaal van Mendelssohn & Co., met Fritz Mannheimer als sleutelfiguur, groeide in enkele jaren uit tot een van de grootste Nederlandse banken. Mannheimer fungeerde bovendien als tussenpersoon voor de Reichsbank en medebeheerder van het vermogen van de naar Nederland gevluchte ex-keizer Wilhelm II — dat vermogen was juridisch beschermd doordat Nederlandse en Duitse filialen los stonden van elkaar, waardoor beslag door geallieerden moeilijk was.

Kapitaalvlucht kreeg vorm via verschillende constructies. Handelsmanipulatie — lagere exportprijzen op papier gecombineerd met opgevoerde buitenlandse kosten — maakte het mogelijk winsten in het buitenland te parkeren. Veel Duitse exporteurs richtten buitenlandse nv’s op (brievenbusmaatschappijen) die officieel de verkooprechten en facturatie deden, maar in werkelijkheid winsten achterhielden. Octrooien en andere intellectuele eigendomsrechten werden naar neutrale landen overgebracht; gebruikers in Duitsland moesten dan royalty’s betalen aan de in Nederland ingeschreven houders. Dat diende zowel om confisquering van patenten door de geallieerden te omzeilen als om herstelbetalingen uit het Verdrag van Versailles te frustreren. Deze methoden van fiscale ontwijking zijn herkenbaar als voorlopers van moderne winstverschuiving via IP-structuren.

Grote Duitse concerns maakten intensief gebruik van Nederland. IG Farben, het chemische conglomeraat dat later berucht werd als producent en patenthouder van Zyklon B, bouwde via ingewikkelde holdings en Nederlandse dochters (zoals Chehamij, Voorindu en Mapro) een netwerk waarmee bezit kon worden gecamoufleerd en fiscale claims omzeild. Bankier Gerhard Fritze en Nederlandse houdsterconstructies zoals Havero/Unitas speelden sleutelrollen. Ook industriëlen als Anthony Fokker en Siemens repatrieerden kapitaal en productie: Fokker smokkelde na het verlies van Duitse productieapparatuur vliegtuigen en materialen naar Nederland en zette daar de Nederlandsche Vliegtuigenfabriek op; Siemens plaatste militaire productie en patenten in Nederlandse dochterbedrijven (Hazemeyer-Signaal en Ipath) om controles en belastingen in Duitsland te ontwijken.

De Nederlandse houding — geen expliciete intentie om een belastingparadijs te worden, maar wel beleid dat kapitaal aantrok — leidde tot politieke ergernis bij Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Deze landen zagen in dat de vlucht van middelen naar Nederland en Zwitserland de Duitse betalingscapaciteit voor herstelbetalingen verzwakte. Tegelijk veroorzaakte het binnen Nederland enorme groei van bankdeposito’s: bij de zes grootste handelsbanken stegen de deposito’s mede door vluchtkapitaal van 259 miljoen gulden (1918) naar 484 miljoen gulden (1930).

Uiteindelijk waren het de combinatie van neutraliteit, fiscale regels, bankgeheim en laxiteit bij het toelaten van buitenlandse banken die van Nederland in het interbellum een van de belangrijkste Europese belastingparadijzen maakten. Veel van de instrumenten en structuren uit die periode — brievenbusvennootschappen, transferpricing, IP‑structuren — blijven ook in de moderne economie gebruikt worden. Dit is het eerste deel van een driedelige serie over hoe Nederland die rol verwierf; in het volgende deel wordt beschreven hoe de Nederlandse overheid en de financiële sector sterke belangen ontwikkelden bij het behouden van die positie.