Hoe lezen we 'Korte gesprekken met afgrijselijke mannen' van David Foster Wallace na #MeToo?

woensdag, 7 januari 2026 (12:46) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Bij herlezing van David Foster Wallace’ Korte gesprekken met afgrijselijke mannen, ruim een kwart eeuw na de verschijning en in het licht van #MeToo, verschuift de leeservaring van grappige, ironische kleedkamerpraat naar ongemakkelijk besef. De recensent las de Nederlandse uitgave kort vóór #MeToo (rond 2016) en merkt dat de bundel, oorspronkelijk uit 1999, tegenwoordig harder aankomt omdat de vrouwelijke stem die in de originele interviews aanwezig was grotendeels verdwenen is in de vertaling: alleen de mannen blijven spreken. De vragen van de ondervraagster zijn eruit gehaald en zij verschijnt in de tekst slechts als een spoor, wat de monodiscours van de mannen nog pregnanter maakt.

Wallace portretteert stereotype mannelijkheid – de versierder, de vrouwenhater, de betweter – met een mix van komische overgave en groteske rationalisaties. Waar het in de jaren negentig uitnodigde tot ironisch meesmuilen aan een cafétafel, laat dezelfde tekst nu makkelijker ruimte voor weerzin: de grap verandert kleur zodra je hem leest met kennis van mansplaining-discussies en van persoonlijke verhalen over Wallace’ eigen gedrag. De recensent herkent in sommige sprekers een Andrew Tate-achtig mansplainer-figuur: iemand die zijn autoriteit logisch tracht te legitimeren, maar die juist zijn misogyne houdingen ontmaskert.

Het laatste interview in de bundel wordt als meest beklemmend ervaren: een man raakt opgewonden door het verhaal van een vrouw die is verkracht en bijna vermoord, en vertelt hoe zij die ervaring als iets spiritueels en transformerends omarmt. De mannelijke verteller verlustigt zich in dat relaas, wat de lezer tegen de borst stuit vanwege de voyeuristische en instrumentele blik op vrouwenleed. Wallace zelf zei in een radiogesprek dat hij zich in veel sprekers herkende; die bekentenis verscherpt nu het ongemak, vooral gezien latere onthullingen over zijn gedrag uit de kring van ex-relaties en dichters als Mary Karr.

Tegelijk erkent de recensent de literaire kwaliteiten: Wallace’ virtuositeit, zijn postmoderne experimenten en metafictionele stukjes – bijvoorbeeld de Octet-passages waarin hij betoogt dat de verhalen de lezer zouden moeten "ondervragen" – blinken nog steeds. Sommige verhalen blijven ontroeren of scherp parodiëren, zoals het zuiver zintuiglijke portret van een jongen die van een hoge duikplank springt en het verhaal over een depressieve vrouw gevangen in therapeutisch jargon. Maar diezelfde erudiete precisie en het voortdurend spiegelspel met de lezer kan ook narcistisch en vermoeiend overkomen; waar vroeger bewondering overheerste, ontstaat nu vaker kritische afstand.

Samengevat: de bundel blijft literair interessant en soms ontroerend, maar leest in 2026 anders dan in 1999. De context van #MeToo, discussies over mansplaining en kennis van Wallace’ levenswandel veranderen de tonaliteit van ironie naar ongemak. De lezer die ooit mee lachte, hoort nu ook de angst en onmacht achter de stemmen – en ziet hoe die lach soms verhult in plaats van verklaart.