Hoe kunnen we dit momentum van Iran duiden?
In dit artikel:
Iran bloedt, maar het regime is nog niet gebroken: na een week van bijna totale afsluiting van communicatielijnen — met sinds kort beperkte telefonie maar nog steeds geen internet voor veel burgers — reageerde de theocratische regering in Iran met een grof en verwacht geweld op massale straatprotesten. De sluiting van de digitale toegang was een voorbode van de harde repressie waarmee autoriteiten de demonstraties in steden, dorpen en stegen neerdrukten.
De huidige golf van protesten ontstond niet uit naïviteit, maar uit berekende moed. Naast de eerder ontstane beweging rond de moord op Mahsa Amini in 2022, vormden snel stijgende inflatie en acties van de Bazaar een nieuw kantelmoment. Mensen uit uiteenlopende lagen van de samenleving, met name jongeren, grepen die gelegenheid aan uit wanhoop én vastberadenheid: ze willen structurele verandering, niet alleen cosmetische aanpassingen.
De reactie van het regime was bloedig en wreed, maar de roep om verandering is volgens de auteur intenser en radicaler dan eerder. De protesten laten een fundamentele verschuiving in publieke opinie en waardeoriëntatie zien: na decennia van onderdrukking en antiwesterse ideologie is er een sterke drang om zowel de regeringsvorm als de geopolitieke koers definitief achter zich te laten.
Opmerkelijk is dat die wens naar verandering zich op zoek zet naar duidelijke symbolen en leiderschap. In de straten van Teheran klonken voor het eerst openlijk leuzen die de terugkeer van de Pahlavi-dynastie suggereren — iets wat veel ballingen en historici verbaast en zorgen baart. Revoluties zijn paradoxaal en kunnen onvoorziene keerzijden hebben; de auteur wijst op historische voorbeelden, zoals de Franse Revolutie, om te benadrukken hoe grillig uitkomsten kunnen zijn.
Daarnaast is er een controversiële tendens onder sommige activisten en exiledissidenten om zich tot het Westen te wenden — expliciet genoemd: steun voor Trump en zelfs toenadering tot Israël — als mogelijke bondgenoten tegen de islamitische machthebbers. Die houding roept morele en strategische vragen op, zeker gezien het verleden van Israëlische militaire acties tegen Palestijnen. De schrijver veroordeelt deze keuze niet direct, maar probeert haar te verklaren als onderdeel van het huidige momentum en wanhoop.
Conclusie van de auteur: de straatopstand heeft het regime nog niet omvergeworpen, maar creëerde een revolutionair moment dat de politieke cultuur in Iran fundamenteel verandert. Een nieuwe balans is gewenst, maar als het regime definitief ten val moet komen, ziet de schrijver dat alleen radicale koerswijziging als realistische optie.