Hoe Jur Bekooy (67) van Groninger Kerken tientallen kerken het leven redde. 'Het blijft de mooiste kamer van het dorp'

vrijdag, 29 mei 2026 (18:59) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

Jur Bekooy staat in het zonlicht van de eeuwenoude kerk van Leegkerk en laat zien waarom zulke gebouwen ertoe doen: het fluitenkruid, vogelgezang en muurschilderingen vormen samen de levende context van een kerkgebouw dat in de jaren zestig nog op de slooplijst stond. Die bijna-ondergang was precies de aanleiding om in 1969 de Stichting Oude Groninger Kerken — tegenwoordig Groninger Kerken — op te richten: een burgerinitiatief van vrijwilligers dat middeleeuwse kerken wilde bewaren en hun betekenis voor dorpen weer zichtbaar maken.

De stichting beheert nu 104 kerkelijke monumenten en is uitgegroeid tot de grootste erfgoedorganisatie voor religieus erfgoed in Nederland; niet alleen kerken, maar ook kerkhoven, torens, synagogen en orgels vallen onder haar hoede. Groninger Kerken koopt zelden gebouwen: meestal worden ze symbolisch voor één euro overgedragen door kerkelijke gemeenschappen, samen met een ‘bruidsschat’ — een startbijdrage voor onderhoud. Alleen rijksmonumenten komen doorgaans in aanmerking voor deze overdracht; provinciale subsidies vormen een belangrijke financieringsbron voor restauraties.

Voorbeelden illustreren de werkwijze en dilemma’s. De kerk van Leegkerk is uitgegroeid tot een ‘pleisterplaats’: een project waarbij moderne voorzieningen — zoals een koperkleurige kubus met expositieruimte en toiletten, ontworpen door Jan Verrelst — zijn ingebracht zonder het middeleeuwse karakter onherstelbaar te veranderen. Het project Lang Leve Leegkerk toont hoe ingrepen en gebruik nieuwe levensvatbaarheid kunnen geven aan oude metersdikke muren.

Niet alle gevallen verliepen gelukkig. De kerk van Garsthuizen, gebouwd in 1871, kon de vervalperiode niet overleven en werd in 2015 gesloopt ondanks lokale inspanningen om te restaureren. De geschiedenis van Garsthuizen illustreert ook hoe wisselend de lotgevallen van kerkgebouwen kunnen zijn: in de 19e eeuw werd er al eens een oudere middeleeuwse kerk afgebroken om grind voor wegaanleg te leveren. Nu is er een initiatief Hart voor Garsthuizen om op de oude locatie een nieuw ‘landmerk’ te bouwen, waarin stenen van de voorganger worden hergebruikt; de financiering is rond en de dorpsbevolking wacht op de bouwstart.

Een ander bijzonder geval is de Molukse kerk Eben Haëzer in Appingedam. Oorspronkelijk een eenvoudige noodkerk voor Molukse KNIL-militairen uit de jaren vijftig, overleefde het gebouw per ongeluk de sloopgolf van vergelijkbare loodsen. Omdat het zo karakteristiek is voor het Molukse verhaal in Nederland, vroeg Groninger Kerken het gebouw rijksmonumentstatus aan; in 2017 werd het gerestaureerd en omgevormd tot kerk en bezoekerscentrum.

Bekooy zelf werkt al ruim vier decennia voor de organisatie. Als technisch opgeleide restauratiespecialist brengt hij een praktische, maakgerichte blik in het behoudswerk: gebouwen moeten gebruikt worden om te blijven bestaan. Die overtuiging leidde ook tot het besef dat een kerk niet los gezien kan worden van haar omgeving. Lange tijd bleven kerkhoven eigendom van kerkelijke gemeentes en raakten daardoor vaak verwaarloosd; grafstenen verdwenen soms simpelweg door verkeerd maaibeheer. In de jaren negentig startte Groninger Kerken samen met Landschapsbeheer Groningen het project Kerken in het Groen, waarmee tientallen historische kerkhoven werden hersteld en het ensemble van kerk, kerkhof en landschap opnieuw betekenis kreeg.

Bekooy vertelt anekdotes over vroegere restauraties — zoals de ontdekking van zestiende-eeuwse gewelfschilderingen in de Pancratiuskerk (1985) — en reflecteert op de schaal van zijn werk: eeuwenoude constructies relativeren tientallen jaren inzet. Tegelijk wijst zijn verhaal op de voortdurende noodzaak van publieke betrokkenheid, vrijwilligerswerk en gerichte subsidies om deze gebouwen levend te houden. Groninger Kerken kiest daarbij bewust voor behoud met nieuwe functies en open deuren: alleen zo blijven de kerken relevant voor dorpen en bezoekers, en behouden zij hun rol als ‘de mooiste kamer van het dorp’.