Hoe ING aan het bonusplafond ontsnapt dankzij een obscure loophole
In dit artikel:
ING kan dankzij een weinig bekende uitzondering in de Wet op het financieel toezicht straks weer royale variabele beloningen uitdelen — ook aan de hoogste bestuurders. De bank voldoet namelijk aan de voorwaarde dat meer dan driekwart van haar personeel buiten Nederland werkt. Nadat die situatie drie jaar heeft voortgeduurd, valt ING niet langer onder het strikte Nederlandse bonusplafond van 20 procent van het vaste salaris, maar onder het ruimere Europese regime dat voor een beperkte groep bankiers een maximum van circa 100 procent kent. Het ministerie van Financiën bevestigde na vragen dat ING gebruik kan maken van deze route.
De aanleiding ligt in ING’s sterke internationale groei en digitaliseringsstrategie. Onder voormalige topman Ralph Hamers zette de bank in op één wereldwijd ICT-platform en servicehubs in landen als de Filipijnen, Polen, Roemenië, Slowakije en Turkije. Van de bijna 63.000 fulltimebanen zijn er nog iets meer dan 15.000 in Nederland; meer dan driekwart van het personeel werkt nu in het buitenland. ING heeft bijna 41 miljoen klanten in meer dan honderd landen en boekte in 2025 een winst van 6,39 miljard euro.
Het nieuws raakt gevoelig omdat het haaks staat op eerder politiek draagvlak voor strengere beloningsregels. Na de kredietcrisis van 2008 wilde de Kamer — gesteund door een parlementaire enquête die excessieve bonussen als risicofactor aanwees — juist strenger zijn dan Europa. In 2015 werd daarom een algemeen Nederlands plafond van twintig procent ingevoerd. Tijdens het debat over die wet werd de nu exploiteerbare uitzondering bewust opgenomen; toenmalig minister Dijsselbloem gaf aan dat die bedoeld was als bijzondere regeling voor bedrijven als Aegon met het leeuwendeel van hun activiteit in de VS. Destijds verzetten bewindslieden zich tegen het verlagen van de grens van 75 procent naar bijvoorbeeld 50 procent omdat dat grote banken óók buiten de reikwijdte zou brengen.
De kwestie speelt nu opnieuw door recente politiek-maatschappelijke ontwikkelingen. Deze maand stemde de Eerste Kamer in met een versoepeling van het bonusplafond met het argument dat de strengere Nederlandse norm het aantrekken van specialistisch personeel — vooral IT-experts — belemmert. Regeringspartijen D66, VVD en CDA presenteerden het versoepelen als noodzakelijk voor het concurrentievermogen van de sector en benadrukten dat bestuurders volgens hen onder het oude regime zouden blijven vallen. De juridische uitzondering voor bedrijven met veel buitenlandse medewerkers maakt die belofte echter onjuist voor ING: als de bank dat wil, kan zij ook haar top eenvoudig zwaardere variabele beloningen toekennen.
Bij ING zelf is men terughoudend: de bank zegt het beloningsbeleid nog niet te hebben aangepast en onderzoekt welke gevolgen de wetswijzigingen voor haar hebben. CEO Steven van Rijswijk stond vorig jaar al positief tegenover versoepeling om medewerkers — vooral IT’ers — beter te kunnen belonen; hij verdiende in 2024 zo’n 2,8 miljoen euro. Voor andere Nederlandse instellingen blijven de uitgebreide beperkingen wel van kracht: Rabobank heeft nog minder dan een kwart van haar werknemers buiten Nederland, Adyen ongeveer de helft, zodat zij zich aan het strikte plafond moeten houden.
Politiek en deskundigen zijn verdeeld over de juiste aanpak. Banken klagen al langer over inbreuk op hun beloningsbeleid, terwijl economen zoals Anat Admati en Arnoud Boot pleiten voor zwaardere kapitaalbuffers als effectievere maatregel tegen risico’s dan het regelen van loonprikkels. Tegelijk is het Nederlandse regime onder druk van Europese harmonisatie — en van de bankenlobby — aan het verzwakken; een Europese kapitaalunie zou nationale verschillen verder kunnen egaliseren. Ook internationale ontwikkelingen, waaronder versoepelingen buiten Europa, en politieke keuzes (zoals recente Amerikaanse verlagingen van bankbuffers) vergroten de onzekerheid over hoe lang Nederland zijn relatief strikte koers kan volhouden.
Kortom: door een technische uitzondering en ING’s internationale personeelsstructuur dreigt het Nederlandse verbod op hoge bonussen voor bankmedewerkers zijn kracht te verliezen. Dat zet de oorspronkelijke politieke doelstelling — belastingbetaler en financiële stabiliteit beschermen na de crisis van 2008 — onder druk en kan leiden tot concurrentieverstoringen binnen de Nederlandse financiële sector.