Hoe ik mezelf probeer te verlossen uit de greep van de Amerikanen

dinsdag, 10 maart 2026 (10:37) - Joop

In dit artikel:

Vroeger was Skype het gezicht van online bellen en chatten — een Europees succes dat door Microsoft werd opgeslokt en daarmee grotendeels zijn oorspronkelijke dynamiek verloor. Dat patroon van Europese innovatie die door Amerikaanse spelers wordt opgekocht en weggeëbd, loopt als een rode draad door het stuk: veel technologie die we dagelijks gebruiken, komt niet alleen uit de VS maar wordt daar ook geconsolideerd en benut door grote platform­bedrijven.

De auteur trekt lijnen van oprichtersverhalen (zoals Whatsapp, gemaakt door iemand met Oekraïense vluchtelingenachtergrond die wantrouwend stond tegenover toezicht en reclame) naar het huidige bestel waarin diezelfde diensten onderdeel zijn geworden van een systeem dat massaal data verzamelt. YouTube — oorspronkelijk niet door Google bedacht — illustreert hoe overnames kunnen uitmonden in advertentiegedreven dominantie. Resultaat: een quasi-monopolie op de infrastructuur van het internet, met iOS en Android als dominante besturingssystemen en Amerikaanse browsers en sociale platforms die het dagelijks leven bepalen.

Die concentratie van macht voedt volgens de tekst een moderne vorm van Big Brother: Amerikaanse techplatforms en de bijbehorende datastromen maken toezicht en politieke manipulatie mogelijk. Europese overheden blijven vaak afhankelijke systemen gebruiken en sturen persoonsgegevens naar de VS, soms ongemerkt of mogelijk zelfs bewust, waardoor Europese burgers en politici kwetsbaar worden voor lijsten, flags of politieke chantage. De schrijver waarschuwt dat “zwarte lijsten” en dossiervorming snel kunnen leiden tot reputatieschade of politieke druk — een gevaar dat wordt aangeduid met voorbeelden van burnbooks en verhoren in de VS.

Belangrijk is ook de praktische kant: vrijwel elk verbonden apparaat — smartphone, slimme lamp, tv, verkeerscamera — vormt een potentiële bron van informatie. Wat decennia geleden als paranoia zou klinken, is nu volgens de auteur de dagelijkse realiteit. Vrijwel ontsnappen aan die afhankelijkheid blijkt moeilijk: hoewel hij persoonlijk stappen heeft gezet om minder Amerikaanse diensten te gebruiken (Ecosia en Proton in plaats van Google, TomTom in plaats van Google Maps, Europese virusscanners, Netflix eruit, alternatieven voor YouTube), blijven iOS, Android en Windows hardnekkige knooppunten. Zelfs AI-hulpmiddelen en analyse-tools blijken vaak Amerikaanse oorsprong.

Als extra context: juridische conflicten rond data-export naar de VS (zoals de uitspraak Schrems II en de onveilige status van het vroegere Privacy Shield) tonen al langer dat EU–VS datastromen problematisch zijn; TikTok is een bijzondere case omdat het Chinees eigendom is maar ook onderwerp van veiligheidszorgen in het Westen. Die nuances veranderen niets aan de hoofdstelling: afhankelijkheid van buitenlandse platformen maakt samenlevingen kwetsbaar.

De slotsom van de auteur is duidelijk: gratis diensten zijn niet echt gratis — ze ruilen privacy en controle voor gebruiksgemak — en de Europese politiek is te weinig wakker om die afhankelijkheid principieel aan te pakken. Bewustwording, beleidsverandering en het stimuleren van echt onafhankelijke Europese alternatieven worden impliciet gepresenteerd als noodzakelijke stappen om individuele vrijheid en democratische processen te beschermen.