'Hoe het voelt om te scrollen tussen foto's van verminkte lichamen, op zoek naar je man en zoon?' Gerechtigheid in Syrië lijkt nog onbereikbaar

woensdag, 21 januari 2026 (13:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Maryam Hassan — een 58‑jarige Palestijns‑Syrische vrouw — staat model voor miljoenen naasten van mensen die in Syrië vermist raakten na arrestatie door het Assad‑regime. Haar man Younes en hun zoon Mohammed werden op 26 september 2013 bij Yarmouk gearresteerd; sindsdien ontbreekt elk spoor. Jarenlang leefde Maryam tussen hoop en wanhoop: ze doorzocht lijsten en filmpjes met vrijgelaten gevangenen, werd meerdere malen benaderd door oplichters die voor betaling vrijlating beloofden, en bleef wachten op bevestiging van leven of dood. Na de val van Assad vorig jaar keerde ze zich van openbare vieringen af en sloot zich aan bij families die massaal hun stiltes braken.

De onthullingen in het in december gepubliceerde “Damascus Dossier” — tienduizenden foto’s en honderdduizenden documenten afkomstig uit regimearchieven — brachten het trauma weer dichtbij. Voor Maryam betekenden de beelden opnieuw slapeloze nachten en angst dat haar geliefden tussen de lichamen stonden. Haar ervaring illustreert het begrip ‘ambigu verlies’: geen begrafenis, geen afsluiting, voortdurende onzekerheid die rouw en herstel blokkeert en psychische en sociale spanning veroorzaakt.

Schattingen over het aantal vermisten lopen uiteen: de VN spreekt sinds 2011 van meer dan 130.000 gevallen van gedwongen verdwijning; de nieuwe Syrische regering noemt, gerekend vanaf 1970, mogelijk tot 300.000 vermisten. Wat ook de precieze aantallen zijn, de impact is enorm: honderdduizenden slachtoffers betekenen miljoenen direct getroffenen wiens leven getekend is door afwezige familieleden en door een samenleving die decennialang door gezag verdeeld en tot zwijgen gebracht werd.

Sinds de val van Assad zijn families zichtbaar geworden: Facebook‑ en WhatsAppgroepen, demonstraties en ‘waarheidstenten’ bieden zowel politieke ruimte als therapeutische steun. Vrouwen, die het grootste deel van de families vormen, organiseren bijeenkomsten waarin foto’s en verhalen worden gedeeld, en waar wordt geëist dat de staat verantwoordelijkheid neemt voor waarheidsvinding en strafrechtelijke vervolging. Voor velen is echter duidelijk dat waarheid alleen onvoldoende is; er wordt nadrukkelijk om gerechtigheid gevraagd.

De nieuwe regering onder president Ahmed al‑Sharaa richtte in mei twee commissies op, onder meer een Nationale Commissie voor Vermiste Personen. Voorzitter Mohammed Reda Jalkhi werkt aan het inventariseren en verifiëren van documenten die de regering kon veiligstellen: volgens hem bevatten die archieven reeds meer dan vijftigduizend namen. De commissie wil families persoonlijk informeren over voorlopige bevindingen en hen de keuze bieden tussen een overlijdensakte of verder zoeken naar stoffelijke resten. Maar het werk wordt gehinderd door fundamentele problemen: archieven zijn verspreid, veel materiaal is gestolen of vernietigd, massagraven liggen over het hele land en forensisch onderzoek vereist gespecialiseerde laboratoria en veel geld. Jalkhi benadrukt dat identiteitsvaststelling jaren kan duren en verwees naar een voorlopige termijn dat massagraven tot 2027 gesloten moeten blijven voor grootschalig onderzoek.

Financiering is het grootste knelpunt. De nationale commissie beschikt tot nu toe alleen over een noodbudget — ruim onder wat nodig is voor grootschalige forensische en dossierverificatie. Tegelijkertijd hebben internationale instanties grote middelen: het VN‑orgaan IIMP kreeg in 2025 een substantieel budget (meer dan $11 mln vast plus toezeggingen), de ICMP in Den Haag beschikt over erkende dna‑laboratoria en het Rode Kruis (ICRC) levert forensische training en ondersteuning. Maar samenwerking tussen lokale en internationale actoren stokt door wantrouwen, politieke gevoeligheden en concurrentie om donorgeld. De Syrische regering vreest dat externe instituten een parallel spoor en personeel “wegkapen” en probeert controle over registratie en strategie te houden; het IIMP blijft daardoor grotendeels in Genève gevestigd en sommige activiteiten liggen stil.

Praktische en ethische dilemma’s komen daarbij kijken: documenten kunnen fouten bevatten of personen ten onrechte als doden vermelden; dna‑testen zijn kostbaar (een botmonsterscan kan honderden dollars kosten); en wie beslist wanneer een zaak “afgesloten” is? Jalkhi pleit voor meer directe financiering aan de nationale commissie en voor wetgeving die haar mandaat verankert, zodat families vertrouwen kunnen hebben in continuïteit en rechtszekerheid. Internationale organisaties bieden technische hulp, maar critici waarschuwen dat workshops en beleidsrapporten alleen weinig betekenen voor families die vooral concrete antwoorden en gerechtigheid willen.

De maatschappelijke context bemoeilijkt herstel en erkenning: Syriërs houden elkaar vaak nog steeds op afstand, empathie is schaarser geworden en sommige overlevenden of nabestaanden worden gestigmatiseerd. In Daraa en elders kregen demonstrerende families soms verwijten of ontkenning te verduren. Psychologisch en sociaal herstel vereist daarom zowel waarheidsvinding als maatschappelijke erkenning en concrete juridische stappen tegen daders.

Maryam zelf zegt te weten dat haar man en zoon “er niet meer zijn” en eist niet alleen de waarheid maar bestraffing van de verantwoordelijken. Ze waarschuwt dat verwaarlozing van het dossier risico’s inhoudt voor de stabiliteit van Syrië: zonder antwoorden en procesvoering kan wraakdrang blijven smeulen en nieuwe geweldscycli aanwakkeren. De toekomst van miljoenen getroffen families hangt nu af van politieke wil, voldoende financiering en een werkbare samenwerking tussen nationale en internationale spelers die zowel technische capaciteit als lokale autonomie respecteert.