Hoe een ontdekking in 1983 het leven van Jaap Beuker (63) uit Assen verandert. 'Ik dacht: verhip, dat rooie spul ken ik!'

zaterdag, 14 februari 2026 (08:59) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

„Dat ding daar heeft mijn hele leven bepaald”, zegt Jaap Beuker terwijl hij naar een klein ingelijst steentje in zijn werkkamer wijst. De 73‑jarige archeoloog uit Assen is in Nederland de meest vooraanstaande specialist op het gebied van vuursteenonderzoek. Samen met vier collega’s publiceerde hij onlangs Heligoland Flint in Prehistoric Europe, een synthese van ruim vier decennia veld‑ en materiaalonderzoek naar vuursteen afkomstig van het Duitse eiland Helgoland.

Beukers fascinatie begon als kind in Erica en groeide uit tijdens zijn loopbaan bij het Drents Museum (1977–2017). Hij leerde vuurstenen werktuigen maken om de bewerkingstechnieken van prehistorische mensen te doorgronden, en zette in de jaren tachtig en negentig belangrijke lijnen uit voor onderzoek naar neanderthalers en vroege boeren in Noord‑Nederland. Een stimulans was een ontmoeting met geoloog Friedrich Schmid in 1983, waarna Beuker ontdekte dat opvallende rode vuursteenvondsten in Drenthe van Helgoland konden komen. Die ontdekking leidde tot uitgebreid vergelijkend onderzoek, veldwerk op Helgoland vanaf 1986 en de opbouw van een collectie van circa 1.500 objecten.

Belangrijkste conclusies uit Beukers werk: Helgoland leverde in de prehistorie op grote schaal kwalitatief hoogstaande vuursteen die door handelsnetwerken over honderden kilometers werd verspreid. In de Oude Steentijd (toen Helgoland nog landverbinding had) en vooral in het Neolithicum werden materialen van het eiland gebruikt voor grootschalige werktuigen; de plaatvormige grijze vuursteen bleek zeer geschikt voor zware gereedschappen en sikkels, terwijl het paarsrode materiaal vooral esthetische of symbolische waarde had en nog steeds populair is in sieraden. Omdat Helgolandvuursteen unieke kenmerken bezit, is de herkomst van zulke objecten precies te traceren — in tegenstelling tot veel Oostzeesources, waarvan hetzelfde type over honderden kilometers voorkomt en dus lastiger te herleiden is.

Het onderzoek heeft ook reconstructies van prehistorische mobiliteit en scheepvaart opgeleverd: in het mesolithicum verdween de directe verbinding met het eiland door zeespiegelstijging, maar in het neolithicum brachten zeewaardige vaartuigen export mogelijk. Dat de vroege boeren konden navigeren over open water naar een eiland dat ze niet altijd zagen, noemt Beuker indrukwekkend.

Nu het boek af is, draagt Beuker zijn collectie over aan het Niedersächsisches Institut für historische Küstenforschung in Wilhelmshaven; collega Moritz Mennenga wil er verder onderzoek mee doen. Beuker houdt nog wat stukken thuis maar geeft toe dat het leven eindig is en dat hij ruimte wil maken voor jonger onderzoekerswerk. Hij pleit ervoor dat veel nog onbestudeerde vondstmateriaal systematisch geïnventariseerd wordt: het verspreidingsgebied van Helgolandvuursteen loopt van Denemarken (mogelijk Zuid‑Zweden) tot honderden kilometers Duitsland in en tot bijna Zeeland in Nederland, maar veel vindplaatsen zijn nog niet volledig gedocumenteerd.

Praktisch: het boek Heligoland Flint in Prehistoric Europe (door Beuker e.a.) bundelt huidige kennis, biedt typologieën, verspreidingsgegevens en analyses en is verkrijgbaar als e‑book, paperback en hardback; het is ook gratis online beschikbaar via Sidestone Press. Beuker blijft nog artikelen afronden maar neemt voorlopig een sabbatical — zijn doel is de onderzoeksmotor op gang te houden zodat anderen verder kunnen bouwen op zijn levenswerk.