Hoe een jurist uit Leeuwarden ervoor zorgde dat Johan Cruijff een jaar lang niet voor Oranje mocht uitkomen

dinsdag, 24 maart 2026 (12:59) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

In november 1966 legde mr. Adriaan J.A. (Aja) Lobstein, voorzitter van een driekoppige strafcommissie van de KNVB, een schorsing van twaalf maanden op aan de toen negentienjarige Johan Cruijff voor het spelen in het Nederlands elftal. De beslissing volgde op een incident vijf dagen eerder tijdens de interland Nederland–Tsjechoslowakije, waarin scheidsrechter Rudi Glöckner rapporteerde dat Cruijff hem in het gezicht zou hebben geslagen. De FIFA had de zaak aan de KNVB overgedragen; de commissie baseerde haar uitspraak op het wedstrijdrapport en filmbeelden, en hoorde ook spelers als Daan Schrijvers en Piet Keizer.

Cruijff ontkende opgetogen opzet: hij zei dat hij mogelijk per ongeluk de arbiter had geraakt toen hij zich losrukte nadat een tegenstander zijn arm vasthield. Desondanks vond de commissie dat Cruijff zich „misdragen in houding en gebaar”, waarbij de klap meegerekend werd, en paste zij de maatstaven van de FIFA toe. De straf beperkte zich tot interlands; hij werd niet voor clubwedstrijden geschorst, iets waar Cruijff en Ajax-voorzitter Jaap van Praag opgelucht over waren.

Het incident veroorzaakte grote opwinding in Nederland. Kranten gaven de jonge aanvaller al snel bijnamen als „Cassius Cruijff” en de zaak zette een discussie in gang over de grenzen van disciplinaire bevoegdheid. Lex Lobstein, de oudste zoon van Aja Lobstein, herinnert zich nog scherp hoe hij als tiener voor de tv zat en zag hoe Cruijff voortdurend werd getackeld tijdens die wedstrijd. Volgens Lex had zijn vader een flinke interesse in voetbal maar hield hij privé en werk strikt gescheiden en sprak hij weinig over zijn oordeel.

Achtergrondinformatie over mr. Lobstein verduidelijkt waarom zijn uitspraak zo gewicht in de schaal legde. Geboren in 1916, studeerde hij rechten en was hij vanaf de jaren vijftig griffier bij de arrondissementsrechtbank in Leeuwarden. Tijdens de oorlog raakte hij in kamp Westerbork geïnterneerd maar overleefde de transporten. Via een neef raakte hij betrokken bij de KNVB-strafcommissie; de functie was onbezoldigd en hij bleef een fervent toeschouwer van het voetbal tot aan zijn dood in 2000.

De consequentie van de schorsing viel in de context van dat tijdperk relatief zwaar: het Nederlands elftal speelde slechts enkele interlands per jaar, waardoor een doorlopende schorsing van meerdere wedstrijden snel kon oplopen tot een jaar. Toch keerde Cruijff eerder terug: in september 1967 mocht hij weer voor Oranje uitkomen en scoorde meteen in zijn rentree. Later spanningen tussen de KNVB en de strafcommissie — onder meer een geheel ontslag van de commissie in 1969 toen het bestuur zich met uitspraken wilde bemoeien — illustreren ook de bestuurlijke onenigheid over disciplinering in die jaren.

Het voorval uit 1966 toont zowel de botsing tussen individuele impuls en officiële tuchtrechtspraak als de centrale rol die mr. A.J.A. Lobstein toen speelde in het Nederlandse voetbalbestuur.