Hoe een Groningse fabriek jarenlang giftig afvalzout liet dumpen aan de grens met België
In dit artikel:
Een Groningse raffinaderij van glycerine, Dutch Glycerin Refinery (DGR) uit Farmsum — dochter van het internationale palmolieconcern Musim Mas — liet jarenlang restzout uit de productie illegaal afvoeren en laten storten rond de Belgisch-Nederlandse grens. Het overtollige zout werd door tussenhandelaren en boeren als ‘bodemverbeteraar’ of strooizout gepresenteerd, maar laboratoriumonderzoek en vrachtbrieven laten zien dat het feitelijk een afvalstof betrof met extreem hoge natrium- en chloridegehaltes. Toezichthouders troffen op verschillende plekken in Vlaanderen en Noord-Brabant stapels ‘hard wit’ zout aan; op sommige locaties was de bodem tot meer dan honderd keer het RIVM-ernstig-risiconiveau verontreinigd (waardes tot ongeveer 49.000 g chloride per kg droge stof, tegenover het risiconiveau van 390 g/kg).
De zaak kwam aan het licht eind 2024 en in 2025, toen Belgische inspecteurs bij onder meer een kalvermesterij in Weelde groeven en politiewerkzaamheden uitvoerden. Op die locatie en bij andere percelen werden enorme zoutophopingen aangetroffen die mogelijk ook via putten naar het grondwater lekte. Nederlandse en Vlaamse milieu-inspecties brachten de route in kaart: DGR leverde het zout aan handelaren als EJ BioEnergy en Marvesa, die het zouden afzetten als strooizout, veevoedingsbestanddeel of, onder ‘specifieke voorwaarden’, als bodemverbeteraar. In de praktijk werd veel zout vermengd met mest of grond en uitgereden of verborgen in gesloopte mestkelders en percelen — een werkwijze die al eerder opdook in onderzoeken rond de mesthandelaar Peet W., die al was veroordeeld in een grootschalige mestfraudezaak.
Het onderzoek van de Omgevingsdienst Groningen concludeert dat DGR de stof bewust als bijproduct presenteerde om onder het afvalregelgeving uit te komen en zo verwerkingskosten te vermijden. De dienst rekent de fabriek minimaal een besparing van ongeveer een miljoen euro per jaar toe, omdat correcte verwerking als afval volgens de schatting circa twee miljoen euro per jaar zou kosten. De constructies tussen handelaren en lokale partijen — waaronder gefactureerde betalingen die een schijn van legale verwerking moesten wekken — versterken het beeld van opzet. DGR erkent dat de vraag naar wegenzout daalde en zegt geen volledig zicht te hebben op eindgebruikers; het bedrijf ontkent echter niet dat er problemen waren en zegt de samenwerking met een betrokken tussenhandel te hebben beëindigd.
Ecologische en agronomische gevolgen zijn ernstig. Zout verstoort bodemstructuur en verdrijft essentiële voedingsstoffen, waardoor plantengroei en bodemorganismen verdwijnen. Herstel van verzilte bodems is complex, langdurig en vaak onvolledig: afgraven is een optie maar betekent verlies van bodem; herstelprocessen duren veel langer dan menselijk handelen beslaat. Omdat bij sommige locaties concentraties veel hoger lagen dan wetenschappelijke risiconormen, is sanering dringend en kostbaar.
Juridisch lopen er zowel bestuurlijke als strafrechtelijke procedures. Belgische politie en parket hebben invallen en aanhoudingen gedaan (onder anderen Geert H. en boer Glenn D. kregen enkelbanden); Peet W. wordt in België als hoofdverdachte gezien en is al eerder in Nederland vervolgd voor mestfraude (schikking met taakstraf). In Nederland heeft het Functioneel Parket een strafrechtelijk onderzoek geopend; de Omgevingsdienst pleit naast bestuurlijke maatregelen (last onder dwangsom) ook voor strafrechtelijke sancties tegen DGR. De gemeente Eemsdelta zegt zorgvuldig te zullen kiezen welke vervolgstappen passend zijn.
Op politiek en bestuurlijk niveau is er in België verbazing en kritiek over wat men ziet als een trage en terughoudende Nederlandse aanpak van milieucriminaliteit. Lokale bodemverontreiniging is inmiddels deels verwijderd — zo haalde transporteur Marvesa zoutbergen op — maar de verantwoordelijkheid voor sanering ligt juridisch bij de producent. De zaak illustreert hoe industrieel bijproduct dat ongeschikt is voor reguliere toepassingen via tussenpersonen en lokale actoren als ‘bruikbaar’ kan worden weggezet, met grote risico’s voor bodem, water en landbouwproductiviteit. Onderzoeken en mogelijke boetes of strafrechtelijke vervolging blijven lopen.