Hoe doen de nieuwkomers het?
In dit artikel:
Sinds hun herontdekking hebben twee kleine dagvlinders zich opvallend ontwikkeld in Nederland en zijn beide nog steeds aanwezig. Het scheefbloemwitje, voor het eerst waargenomen in 2015, heeft zich in enkele jaren over bijna het hele land verspreid. Vooral in stedelijke gebieden komt deze soort veel voor; minder dichtheden worden gemeld in Zeeland, de kop van Noord‑Holland, Flevoland en delen van het noorden. Boven de denkbeeldige lijn Alkmaar–Arnhem wordt het scheefbloemwitje echter ook regelmatig gezien. Op de Waddeneilanden blijft het schaarser en voor Terschelling en Schiermonnikoog zijn nog geen meldingen bekend.
Het kaasjeskruiddikkopje dook in 2009 in Zuid‑Limburg op, de eerste waarneming sinds 1953. Na een aanvankelijke noordwaartse uitbreiding binnen Limburg stokte die beweging; de soort lijkt daar niet veel verder naar het noorden door te breken. Vanaf 2018 nam echter de kolonisatie in Zeeuws‑Vlaanderen fors toe. In 2022 maakte het dikkopje de oversteek van de Westerschelde en werd op Walcheren en Zuid‑Beveland gezien; in 2024 werd Schouwen‑Duiveland op veel plekken aangetroffen. In 2025 kwam de soort in Zuid‑Holland terecht, onder meer op Goeree‑Overflakkee, en er zijn ook incidenten gemeld uit Noord‑Brabant en het Westland. Veel waarnemingen betreffen rupsen, die op waardplanten uit de groep van de kaasjeskruidachtigen worden gevonden.
De gegevens komen van De Vlinderstichting en de Nationale Databank Flora & Fauna; Kars Veling is de auteur van het bericht. Of de opmars van het kaasjeskruiddikkopje in 2026 doorgaat blijft afwachten. Mogelijke factoren achter beide uitbreidingen zijn de aanwezigheid van waardplanten en de sterke aanwezigheid in stedelijke gebieden; klimaatinvloeden kunnen ook een rol spelen, maar daarvoor zijn aanvullende analyses nodig.