Hoe de schapen langzaam van Texel verdwenen
In dit artikel:
Het Texelse schaap dreigt te verdwijnen als economisch drager en dreigt te verschrompelen tot een toeristische bezienswaardigheid. Eeuwenlang bepaalden schapen het landschap van Texel — met tuunwallen, kolken en boeten — en telde het eiland in piekjaren tienduizenden dieren. Nu is de voorraad in snel tempo gekrompen: waar in 2015 het aantal schapen overeenkwam met het aantal inwoners (circa 14.000), telt het eiland in 2026 nog zo’n 8.000 ooien. De daling kreeg landelijke aandacht toen in 2025 het NOS Journaal sprak van een ‘schapencrisis’ en na 115 jaar de Schapenfokdag niet doorging wegens gebrek aan belangstelling.
Lokale schapenhouders zoals Jan‑Willem Bakker (47) en Henk Zoetelief (51) illustreren de tweedeling in de sector. Bakker runt vanaf zijn erf De Waddel een kleinschalig schapenmelkbedrijf (350 dieren), heeft een publiek profiel als vlogger en verdient deels aan toerisme: schapenwandelingen, verkoop van kaas uit een versautomaat en bezoekers op het erf. Zoetelief combineert stamboekschapen met paarden, varkens en een camping; beide zeggen dat schapen “in het bloed” zitten, maar dat het financieel alleen draait als er neveninkomsten zijn.
Economisch is het schaap problematisch. Een rapport van het ministerie uit 2025 concludeerde dat de schapensector in Nederland niet rendabel is: gemiddeld verlies per ooi en per bedrijf, en ‘zeer zorgwekkend’, volgens toenmalig landbouwminister Femke Wiersma. Op Texel drukken hoge grondprijzen (circa €83.000 per hectare) en concurrerende agrarische keuzes het traditionele schaapsbedrijf weg: akkerbouw of melkveehouderij leveren meer op. Tegelijk is de traditionele vraag naar schapenvlees laag; veel eilandbewoners eten vanouds geen lam. Toerisme en kleinschalige verkoop kunnen deels compenseren, maar onvoldoende om het volume te behouden.
Een andere ontwikkeling vergroot de kloof. ATT Agro, onder leiding van Dennis Wetenkamp op De Veen, draait een industriële melkerij met ongeveer 1.100 ooien in stallen. Door raskeuzes (meer melkrassen), het vroeg bij de moeder weghalen van lammeren en meerdere aflammerperioden per jaar produceert De Veen jaarlijks ruim 600.000 liter melk — ongeveer 97% van de Texelse productie — en levert aan grote afnemers als Albert Heijn. Dat is rendabel, maar strijdig met de spelregels van de Vereniging Schapeneiland (VST): schapen ‘in de wei’, Texelse rassen en lammeren minimaal 100 dagen bij de moeder. De aanwezigheid van deze grotendeels ‘onzichtbare’ binnenhouderij zorgt voor spanningen over identiteit, markt en toekomst.
De VST en lokale initiatiefnemers zoeken naar beleidsoplossingen om het culturele en ecologische belang van schaapsbeheer te behouden. Een Plan van Aanpak pleit voor ziektebestrijding (zwoegervrij), een kenniscentrum en nieuwe inkomstenstromen: publiek geld voor de landschapsdiensten van beweiding, vrijwillige bijdragen van toeristen (‘Schapeneuro’), lagere pacht door terreinbeheerders en meer waardering voor Texelse wol en zuivel. Praktische uitdagingen blijven: opvolging — veel jonge boeren willen niet instappen in verlieslatende schapenhouderij — en de vraag wie de kosten van het behoud betaalt.
Cijfers en prognoses zijn zorgelijk: het aantal schapenhouders daalde van 102 in 2000 naar 45 nu; de VST schat dat bij voortgaande krimp in 2028 nog maar 3.500 schapen overblijven. Ambities lopen uiteen: enkele betrokkenen mikken op terugkeer naar 15.000 dieren in 2035, anderen vinden 10.000 een realistischer tussendoel.
Kortom: Texels schaap is meer dan een economische activiteit; het is maker van landschap en toeristisch icoon. Maar zonder blijvende inkomensbronnen, beleid dat publieke baten compenseert en een manier om traditionele en industriële bedrijfsmodellen te laten samengaan, staat het karakteristieke schapeneiland onder grote druk.