Hoe de oorlog binnendrong in het kleine Rotterdamse gezin van mijn opa, oma en moeder

zaterdag, 2 mei 2026 (10:52) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Kees van der Staaij haalt vergeelde briefkaarten van zijn opa tevoorschijn en vertelt hoe die kleine papieren getuigen het grote leed van één Rotterdams gezin tijdens de Tweede Wereldoorlog zichtbaar maken. Zijn opa, C.G. Verloop, werd tijdens de razzia van Rotterdam en Schiedam op 10–11 november 1944 opgepakt en naar een Gemeinschaftslager bij Trollsee (Flensburg, vlak bij de Deense grens) gedeporteerd. De kaarten, geschreven in potlood en voorzien van een postzegel met Hitler en een stempel van de censuur, zijn gericht aan zijn vrouw en hun peuterdochter Maartje. In rustige bewoordingen probeerde opa geruststelling te geven over zijn gezondheid, maar hij maakte zich 's nachts zorgen over hun lot in het door honger en kou geteisterde Rotterdam van de winter 1944/45.

Van der Staaij gebruikt die familiedocumenten om te schetsen hoe ingrijpend de razzia was: bruggen en uitvalswegen werden afgesloten, wijken systematisch doorzocht en in totaal zo'n 52.000 mannen weggevoerd — deels voor dwangarbeid, deels uit angst dat zij de geallieerden zouden helpen. Het bevel van november 1944 riep alle mannen van 17 tot en met 40 op om zich onmiddellijk met uitrusting buiten te melden, met de duidelijke waarschuwing dat wie probeerde te ontvluchten of te verzetten, zou worden neergeschoten. Opa Verloop overleefde en keerde in uitgeputte, uitgehongerde toestand terug na maanden lopen; de keurige beweringen over 'goede gezondheid' op de kaarten waren waarschijnlijk verplicht.

De auteur reflecteert op de emotionele lading van zulke familieverhalen: waarom voelen herinneringen zwaarder naarmate de tijd verstrijkt, waarom roept het ophalen van die kaarten een brok in de keel op, en welke verhalen dragen we door aan volgende generaties? Hij wijst erop dat archieven steeds beter ontsloten zijn, waardoor meer puzzelstukjes van zulke persoonlijke en collectieve ervaringen bij elkaar gelegd kunnen worden. Van der Staaij, die naar zijn opa vernoemd is, kon die man zelf niet bevragen — hij stierf toen de schrijver nog een peuter was — maar de briefkaarten blijven een stil maar krachtig bewijs van angst, gemis en hoop in een donkere periode van onvrijheid. In dagen van herdenken en vieren roept het stuk op bewust te kiezen welke verhalen we bewaren en doorgeven.