Hoe de Nulspelen van Sarajevo het Nederlandse schaatsen definitief veranderden
In dit artikel:
Op 8 februari 1984 arriveerde een Nederlandse schaatsdelegatie in Sarajevo: elf rijders (zeven mannen, vier vrouwen) en twee begeleiders. Nog vóór de eerste meters werd duidelijk dat deze Winterspelen zouden uitlopen op een fiasco: de ploeg keerde zonder medaille terug, de sfeer was van meet af aan miserabel en interne conflicten liepen hoog op — bondscoaches Henk Boer en Gauke Nijholt raakten zelfs slaags in het olympisch dorp.
De problemen waren zowel organisatorisch als praktisch. De KNSB hanteerde wisselende, niet op papier vastgelegde selectienormen; atleten wisten niet hoe olympische startbewijzen tot stand kwamen en kregen bijna wekelijks aangepaste regels voor hun voeten gegooid. Dit leidde tot absurde situaties: Yep Kramer, die twee weken voor de Spelen nog in het EK allround reed met de zekerheid van deelname aan de 1.500 m, werd plots verplicht een extra selectiewedstrijd in Davos tegen Hein Vergeer te rijden — met een moegetrainde Kramer die verloor.
Ook de omstandigheden ter plaatse waren slecht. Sarajevo schaatste op de onoverdekte Olimpijska Dvorana Zetra, een baan waarop nog nooit een wedstrijd was verreden en die tijdens sneeuwval gewoon werd gedweild — rampzalig voor de ijskwaliteit. Geert Kuiper, die zijn internationale wedstrijddebuut maakte in Sarajevo, beschrijft hoe zijn 500 m door sneeuwval van 10.00 naar 17.00 uur werd verplaatst en hij vervolgens zeven uur lang zonder begeleiding op de baan werd gelaten. Hij werd zestiende; zijn geplande 1.000 m-start werd zonder duidelijke verklaring aan Hilbert van der Duim toegewezen. Van der Duim, die als hoopvol talent gold, viel tegen en eindigde onder verwachtingen (plaatsen rond 7–10), terwijl hem bovendien tegen zijn zin de vlaggendragerrol tijdens de openingsceremonie werd opgedrongen.
Bij de vrouwen waren geen uitgesproken kanshebbers; vooral de Oost-Duitse concurrentie bleek ongenaakbaar en maakte het streven naar medailles nagenoeg kansloos. Teleurstelling en verwijten naar bestuurlijke hotemetoten — zoals Kuiper ze noemt — volgden; de NOC-bestuurders zouden de sporters kwalijk nemen dat er geen plakken behaald werden.
Sarajevo 1984 kreeg al snel de bijnaam 'Nulspelen' en fungeerde als breekpunt. Volgens Kuiper bracht deze puinhoop het besef dat het Nederlandse schaatsen structureel anders moest: beter vastgelegde selectiecriteria, professionelere begeleiding en meer organisatie. De catastrofe in Joegoslavië markeerde daarmee het einde van een lagere fase; achteraf gezien legde het de fundamenten voor de systematische aanpak die leidde tot latere Nederlandse olympische schaatsdominantie. Kuiper vat het scherp samen: slechter kon het niet, en dat besef was tegelijk de aanzet tot verbetering.