Hoe de hedofascisten de feiten onderdompelen in onwelriekende desinformatie

woensdag, 3 juni 2026 (12:15) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

De auteur stelt dat stront — eeuwenlang vooral een taboedoorbroken, cultureel en psychologisch thema — dezer dagen een bewuste rol speelt in de esthetiek en tactiek van extreem-rechts. Wat ooit in literatuur, kinderhumor en avant-garde kunst als transgressie of abjectie opduikt (Komrij’s bloemlezing, Freud over het ‘eerste scheppingsplezier’, Manzoni’s en McCarthy’s kunstwerken) is in het publieke, politieke domein getransformeerd tot een wapen: beledigend, schokkend en deliberatief bedoeld om de publieke orde te ontregelen.

De term ‘hedofascisme’ wordt gebruikt om deze eigentijdse variant van autoritair populisme te omschrijven: politiek die gedreven is door genot — consumptie, wreedheid en vernedering — en die openlijk trots is op morele overschrijding. Filosoof Samir Gandesha spreekt van ‘transgressief populisme’: aanhangers en leiders omarmen hun eigen ‘verachtelijkheid’ als tegenreactie op elite‑moraal. Steve Bannon’s advies om het publieke discours te “overspoelen met stront” (flooding the zone with shit) illustreert hoe desinformatie en provocatie bewust worden ingezet om feiten te verzadigen en waarheidsvinding onmogelijk te maken. Harry Frankfurt’s onderscheid tussen leugenaar en bullshitter wordt aangehaald om te laten zien dat de bullshitter — die zich niets aantrekt van waarheid maar alléén wil overtuigen — gevaarlijker is voor de democratische waarheid.

Concrete voorbeelden verbinden dit idee met actuele politieke gebeurtenissen: de ontlasting op Nancy Pelosi’s bureau tijdens de bestorming van het Capitool (6 januari 2021) en een satirisch bronzen ‘monument’ daarover; Trump die in oktober 2025 een AI‑video deelde waarin hij betogers met symbolische strontbombardementen bedreigt; en in Nederland incidenten zoals de besmeurde moskee in Veenendaal en anti‑azc‑protesten met giertanks. Dergelijke acties zijn niet louter expressief; ze symboliseren macht, vernedering en de vermenging van afkeer en identiteitspolitiek: vijanden worden letterlijk en figuurlijk bevuild.

AI speelt een sleutelrol: generatieve systemen produceren goedkoop, kitscherig en stereotype beeldmateriaal — wat de auteur ‘slop’ of ‘AI‑stront’ noemt — dat via bots en netwerken wordt uitgedragen en versterkt. Dit creëert een ‘strontoceen’ of enshittification van online ruimtes (Cory Doctorow), waardoor half van de online inhoud mogelijk al door machines is voortgebracht en realiteit en simulacrum in elkaar overgaan. Baudrillard’s simulacra en Borges’ kaart‑met‑schaal‑één worden aangehaald als filosofische sleutel tot begrip van hoe beelden de werkelijkheid overschaduwen en verplaatsen: de representatie is “echt” geworden en verdringt het originele referentiekader.

De politiek van de schijnbare onreinheid heeft ook een socialeoorzaak: volgens sociologen als Amlinger en Nachtwey reageert veel publiek op een ‘geblokkeerd leven’ — gestagneerde mobiliteit, woningnood, klimaatbeperkingen — met verzet dat de blokkade letterlijk of symbolisch wil opheffen. Stront wordt dan zowel bevrijdend als besmettend: Kristeva’s theorie van het abjecte legt uit waarom uitwerpselen (en de dood) de grenzen tussen zelf en ander, binnen en buiten, overgaan en zo politiek geladen worden. In hedofascistische logica is de keuze ‘schijten of gescheten worden’: van macht is sprake wanneer men de ander degradeert tot afval.

Tegen deze scatopolitiek pleit de auteur niet voor moralistische zuiverheid — een houding die eerder ruimte gaf aan het opkomende rechts‑populisme — maar voor een andere, herkenbare erkenning van de menselijke conditie. Cornel West’s ‘the funk of life’ wordt als tegengewicht voorgesteld: accepteren dat menselijk leven altijd ook smerig, sterfelijk en verwrongen is, en daaruit een cultuur van gedeelde kwetsbaarheid en esthetische weerbaarheid bouwen. In plaats van een naïeve oproep tot verhevenheid is een dialectiek van de stront nodig: geen schone zielen, maar wederzijdse erkenning van gebreken en weerzin.

Praktische implicaties (expliciet en impliciet in het stuk): bestrijding van hedofascistische strategieën vereist meer dan taboe‑bepalingen. Noodzakelijk zijn betere regulering van AI en sociale platforms (transparantie, botcontrole, datasetverantwoording), versterking van fact‑checking en onafhankelijke nieuwsbronnen, mediageletterdheid bij het publiek, en culturele responsen die zowel inhoudelijk als esthetisch het narratief van vernedering en transgressie ondermijnen. Het belangrijkste is politiek en cultureel verweer dat de neiging tot radicale ontmenselijking niet weerspiegelt of vergroot, maar ontkracht door de realiteit terug te eisen: feiten, empathie en instituties die het publieke domein beschermen.

Kortom: wat begon als culturele fascinatie en artistieke provocatie is door hedendaagse extreem‑rechtse bewegingen gerecupereerd tot een doelbewuste tactiek — een politiek van schaamteloosheid en vervuiling. Herkennen van deze tactiek, begrenzen van de digitale ‘strontproductie’ en het zoeken naar een moreel‑esthetische tegenkracht die de menselijke conditie inclusief haar ‘funk’ omarmt, zijn volgens de auteur de weg om de fecale esthetiek van het hedofascisme te ontmantelen.