Hoe Curaçao nog altijd de giftige rekening van Shell betaalt
In dit artikel:
Ik vlieg opnieuw naar Curaçao voor een reeks slotactiviteiten rondom mijn tentoonstelling Oleum Shell isla de Curaçao in Landhuis Bloemhof: op vrijdag 13 maart een discussieavond over de toekomst van het terrein en op zaterdag 14 maart een rondleiding over Het Asfaltmeer — het zwarte, teerachtige afvalveld naast Willemstad dat centraal staat in mijn onderzoek en werk.
In het afgelopen anderhalf jaar heb ik de geschiedenis van Shell’s Isla-raffinaderij (opgericht 1915) en vooral de ontstane milieuramp Het Asfaltmeer onderzocht. Dat “meer” beslaat zo’n 55 hectare en bestaat uit dampende, teerachtige lagen waarin men spreekt van plekken tot circa drie meter diepte. Het is ontstaan doordat afval sinds de jaren veertig in een natuurlijke baai bij het Schottegat werd gedumpt. Formeel is het terrein verboden; er mag niet overheen gevlogen worden en journalisten en publiek krijgen al jaren geen ongehinderde toegang. Toch heb ik het terrein meerdere malen bezocht en uitvoerig bestudeerd.
Historisch profiteerde Shell van de oliebehoefte, vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog; productie stijgt, afvalstroom neemt toe en dumping in de baai volgde. In 1985 kondigde Shell haar vertrek aan en tekende Curaçaos regering — onder zware druk en om banen te behouden — een contract waarin Shell in essentie ontheven werd van toekomstige milieu- en gezondheidsaansprakelijkheid. De raffinaderij bleef daarna draaien onder uitvoering door Venezuela tot de vergunning in 2019 afliep en de fabriek sloot.
Officiële berichten over saneringen zijn tegenstrijdig en vaak niet verifieerbaar doordat externen geen toegang krijgen. Kranten meldden dat delen waren afgegraven en met schone grond waren toegedekt, en dat afgegraven materiaal voor wegen zou zijn gebruikt. Mijn waarnemingen vertellen een ander verhaal: sommige zones zijn slechts tot circa één meter afgegraven en vervolgens met een twee meter dikke laag bouwafval toegedekt, waardoor daadwerkelijke bodemreiniging juist ingewikkelder is geworden. Ik kon geen bevestiging vinden dat afgegraven materiaal op wegen is toegepast. Daarnaast circuleerden beweringen van een medewerker van Buskabaai dat asfalt aan de Verenigde Staten zou worden verkocht — een claim die ik (nog) niet kan verifiëren en waar ik sceptisch over blijf gezien de historie van vage beloften.
Het terrein is niet alleen een ecologische nachtmerrie maar ook een volksgezondheidskwestie. Bij het lopen op Het Asfaltmeer treedt een branderige geur op; windstilte of terugkerende walm leidt bij mij tot hoofdpijn en “brainfog” — een traagheid in denken. Historische uitstoot, waaronder lood, heeft generaties aangetast: door blootstelling in de jeugd kan de hersenontwikkeling stagneren, met blijvende effecten op cognitieve vermogens. Die gezondheidsschade valt samen met sociale ongelijkheid: na de afschaffing van de slavernij veranderden sociale verhoudingen nauwelijks, en de komst van Shell bood banen maar vaak in lagere, gevaarlijkere functies voor nazaten van tot slaaf gemaakten, terwijl hogere posities vaak door mensen uit Nederland werden ingevuld. Die combinatie van economische afhankelijkheid en blootstelling maakte verzet moeilijker en heeft bijgedragen aan systemische achterstelling.
Mijn ervaring is ambivalent: schaamte over onwetendheid, verontwaardiging over nalatigheid en een soort plicht om de verhalen en feiten zichtbaar te maken. Tegelijk geloof ik dat er alternatieven zijn voor heropenen van vervuilende industrie. Waar honderd jaar geleden een raffinaderij kon worden gebouwd, kunnen we nu kiezen voor herstel, sanering en duurzame, circulaire bedrijvigheid. Het Asfaltmeer kan — met politieke wil, wetenschap en middelen — worden gesaneerd en omgevormd tot een veilige, groene woon- of recreatiezone. Mijn tentoonstelling en de aankomende evenementen beogen die discussie aan te zwengelen: wie draagt verantwoordelijkheid, hoe herstel je schade die decennia beslaat, en welke toekomst wil Curaçao naast afhankelijkheid van vervuilende economische modellen?