Hoe bepaald wordt wat wij waar moeten vinden

maandag, 19 januari 2026 (13:03) - De Andere Krant

In dit artikel:

Data-analist Cees van den Bos legt aan de hand van gelekte Woo‑documenten en onderzoek op zijn Substack Bomen & Bos uit hoe een klein netwerk van kennisinstituten, ministeries en veiligheidsdiensten in binnen‑ en buitenland beleidsagenda’s kan vormgeven en verankeren. Hij waarschuwt dat wat vaak als ‘wetenschappelijke consensus’ gepresenteerd wordt, in werkelijkheid het product is van zogeheten epistemische gemeenschappen — exclusieve coalities die bepalen welke feiten, vragen en oplossingen als geldig worden erkend.

Het begrip ‘epistemische gemeenschap’ werd in sociologische termen gemunt door Burkart Holzner en populair gemaakt door Peter M. Haas (1992). Van den Bos stelt dat deze gemeenschappen functioneren als beleidsmakers avant la lettre: zij definiëren problemen vroegtijdig, sluiten alternatieve visies uit en legitimeren gekozen oplossingen als ‘wetenschappelijk’. In plaats van een open wetenschappelijke arena met debat en onzekerheid, ontstaat zo volgens hem een gesloten machtsblok dat policy richting geeft zonder democratische mandatering. Die macht komt voort uit het monopoliseren van wat als bewijs en expertise geldt; wie de definitie van een probleem controleert, stuurt daarmee het antwoord.

In Nederland wijst Van den Bos vooral naar de verbinding tussen de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), ministeries en het International Centre for Counter‑Terrorism (ICCT) — aangevuld door de faculteit ISGA van de Universiteit Leiden — als voorbeeld van zo’n ‘veiligheidsepistemisch complex’. Deze ‘driehoek’ zou bepalen hoe thema’s als radicalisering, online extremisme en nationale veerkracht worden gedefinieerd en geagendeerd. Veel rapporten die dreiging en beleid onderbouwen, presenteren zich als academisch, maar bevatten volgens Van den Bos vaak uitgangspunten of data die rechtstreeks van ministeries en diensten komen. Dat maakt de wetenschappelijke onafhankelijkheid twijfelachtig en resulteert in beleidsvoorstellen die op verzoek van dezelfde opdrachtgevers worden omgezet in wet- of regelgeving.

Financiering en personele overlap versterken die verwevenheid. Het ICCT ontvangt geld van EU en Nederlandse ministeries (Van den Bos noemde ongeveer 2 miljoen euro in 2024, deels Europees en nationaal gefinancierd) en had ook eerdere steun van USAID. Tegelijk opereren onderzoekers en beleidsadviseurs vaak in verschillende rollen binnen denktanks, universiteiten en overheidsorganen, wat volgens Van den Bos op een ‘draaideurconstructie’ lijkt. Als illustratie wijst hij op evaluatierapporten over de coronacrisis waarin personen betrokken waren die zelf bij het beleid waren betrokken — een bron van vragen over onafhankelijkheid.

Internationaal speelt hetzelfde patroon: Van den Bos schrijft dat zo’n tweehonderd universiteiten en denktanks wereldwijd met elkaar verbonden zijn en samen het kennisweb vormen dat veiligheidsdiensten wetenschappelijke en politieke dekking biedt. Hij noemt het IPCC als voorbeeld van een epistemisch complex in klimaatbeleid — waar brede consensus rond CO2 en opwarming tot dominante beleidskaders heeft geleid en alternatieve wetenschappelijke opvattingen moeilijk bespreekbaar zijn geworden.

Media en publieke communicatie versterken het effect: experts uit het epistemische netwerk verschijnen vaak terugkerend in de media, terwijl kritische of afwijkende stemmen weinig podium krijgen. Dit draagt bij aan het schuiven van het Overton‑venster — wat als bespreekbaar of radicaal geldt — waardoor sommige beleidskeuzes van marginaal debat naar ‘sociaal onontkoombaar’ bewegen. Van den Bos verbindt dit rechtstreeks aan slogans als ‘trust the science’ tijdens de coronaperiode, die volgens hem polarisatie en uitsluiting van dissent bevorderden.

Concreet noemt hij beleidsroutes die voortkwamen uit academische publicaties: ICCT‑studies over Countering Violent Extremism (CVE) uit 2012/2015 waren volgens hem leidend voor Nederlandse programma’s vanaf 2014–2015 en dienden later als basis in internationale resoluties. Ook het kabinetspaper Integrale Aanpak Jihadisme (2014) zou voor een groot deel terminologie en instrumenten hebben overgenomen die in zulke academisch‑geformuleerde kaders waren ontwikkeld.

De kern van Van den Bos’ waarschuwing is democratisch: wanneer kennisinstituten onlosmakelijk verweven raken met diensten die baat hebben bij uitbreiding van bevoegdheden, ontstaan conflicterende belangen en een beleidsapparaat dat zich legitimeert via ‘wetenschap’ zonder voldoende externe toetsing. Dat leidt volgens hem tot permanente uitbreiding van surveillance‑ en uitvoeringsmacht, terwijl oppositie en kritische reflectie marginaliseren.

Kortom: Van den Bos roept op tot meer transparantie over financiering, opdrachtgeverschap en intellectuele afhankelijkheden van onderzoeksinstituten, en vraagt aandacht voor het risico dat consensus binnen gesloten expertgroepen het publieke debat en de democratische controle ondergraaft.