Hoe ambtenaren zich beleefd en in kleermakerszit tegen ons amorele Israël-beleid verzetten
In dit artikel:
Voor het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Rijnstraat in Den Haag vindt al twee jaar lang elke donderdag tussen 12.00 en 12.30 uur een bijzondere sit-in plaats. Sinds de eerste eenmalige actie op 21 december 2023 – in woede en frustratie over de escalerende oorlog tussen Israël en Gaza – komen ambtenaren, oud-diplomaten, oud-ministers, juristen en activisten bijeen om te protesteren tegen het Nederlandse buitenlandbeleid ten aanzien van Israël en Palestina. Op 11 december 2025 vond de honderdste editie plaats; die grijze ochtend verzamelden enkele honderden mensen zich voor het departement, omringd door stewards, gele hesjes, dekentjes en bewakingscamera’s.
De actie is voortgekomen uit interne zorg binnen het ministerie: op 20 oktober 2023 ondertekenden honderden ambtenaren een brandbrief waarin zij de Nederlandse politiek op het hart drukten dat steun aan Israël niet mag betekenen dat internationale rechtsnormen en mensenlevens genegeerd worden. Die brief, en een later gelekte groepschat, leidden tot media-aandacht en ook tot angst voor reputatieschade en juridische risico’s onder deelnemers. Initiatiefnemers als Angélique Eijpe — die persoonlijk zwaar door het conflict werd getroffen en ooit als diplomaat in de regio werkte — en collega’s uit verschillende ministeries besloten na uitputtende pogingen tot interne dialoog de lunchpauze te gebruiken voor een rustig, zichtbaar protest. Wat klein begon als een stille, dertig minuten durende actie, groeide geleidelijk uit tot een breed gedragen, professionele protestbeweging met vaste logistiek: draagbare boxen, microfoon, tassen met spullen en nauwkeurige afstemming via een besloten appgroep.
De inhoudelijke bezwaren richten zich op meerdere punten: de regering hanteert volgens de sit-inners te vaak het eenvoudige argument van “zelfverdediging” voor Israël, terwijl naar hun oordeel de Nederlandse plicht om de internationale rechtsorde te bevorderen — opgenomen in artikel 90 van de Grondwet — ernstige eisen stelt bij meldingen van disproportioneel geweld en mogelijke genocide. De uitspraak van het Internationaal Gerechtshof over de zaak die Zuid-Afrika aanspande (een tussenuitspraak van 26 januari 2024) dat er een reëel risico op genocide kan bestaan, versterkte deze morele en juridische bezorgdheid onder de ambtenaren. Zij verwijzen ook naar interne rapporten over institutioneel racisme uit 2022 en hekelen dat Palestijnse levens te weinig empathie krijgen in beleid en communicatie.
De relatie met de ambtelijke en politieke top verliep wisselend. In het begin toonden leidinggevenden enige empathie, maar tegelijkertijd voelden organisatoren zich vaak gesust tot emotionele, niet-professionele problemen teruggebracht. Juridische vragen, angst voor carrièregevolgen en aantijgingen van politieke partijdigheid speelden mee. Hoogtepunten van onvrede waren onder meer dat ministeries en parlementaire kamers weigeren bepaalde VN-rapporteurs te ontvangen en dat uitnodigingen voor het in ontvangst nemen van documenten soms niet werden gehonoreerd. Tegelijkertijd nam het draagvlak buiten het ministerie toe: oud-ministers en oud-ambassadeurs – waaronder Jan Pronk en vele gepensioneerde diplomaten – sloten zich aan, spraken op sit-ins of organiseerden de acties mee. Ook ngo’s en experts traden regelmatig op als sprekers.
De sit-ins wisselen momenten van ingetogen protest af met toespraken van oud-diplomaten, internationale activisten en Palestijnse stemmen. Mariam Barghouti, Amerikaanse-Palestijnse journaliste, sprak op een van de bijeenkomsten haar waardering uit voor de solidariteit en herinnerde aan de aanhoudende escalatie en de gevolgen voor burgers. De bijeenkomsten eindigen gewoonlijk met minuten stilte en een lang applaus: een ritueel dat mededogen, verontwaardiging en verbondenheid uitdrukt.
Wat betreft beleid was de concrete impact beperkt: de Nederlandse regering verklaarde enkele extreemrechtse Israëlische ministers persona non grata en nam pas eind oktober 2025 het initiatief om vijf kinderen met begeleiders uit Gaza te evacueren. Grootschalige maatregelen zoals een algeheel wapenembargo, economische boycots of een formele erkenning van een Palestijnse staat werden niet doorgevoerd. Critici binnen de sit-in spreken over een afkalvende geloofwaardigheid van Nederland als voorvechter van vrede en recht wanneer het land niet consequenter optreedt tegen schendingen van internationaal recht.
De sit-in heeft voor deelnemers meerdere functies: een moreel appèl aan de regering, een protestmiddel wanneer interne routes blokkeren en een netwerk van steun onder collega’s die anders weinig publiek zouden tegenstemmen. Voor velen was het ook persoonlijk: deelnemers met Palestijnse verbindingen ervoeren de actie als uiting van gehoor en solidariteit; voor oudere diplomaten betekende deelname een poging om tradities van ambtelijke kritische reflectie opnieuw leven in te blazen. Tegelijk bleef het moeilijk: stigma, zwijgende collega’s en politieke druk maken van het protest een risico voor deelnemers.
De beweging heeft het debat over Nederland’s buitenlandse koers ontvouwd binnen en buiten het ministerie: het stelt juridische verplichtingen en morele grenzen centraal, mobiliseert een ongebruikelijke alliantie van actieve ambtenaren en oud-diplomaten en confronteert een regering die volgens critici te terughoudend blijft in haar reactie op de ernstige humanitaire en juridische signalen uit de Palestijnse gebieden. Of de sit-ins op langere termijn beleidswijzigingen afdwingen, blijft onzeker; voor nu fungeren ze als zichtbaar, herhaaldelijk signaal dat binnen de diplomatieke machine breed verzet en diepgewortelde bezorgdheid bestaan.